Opgave 1 |
|||
| 4p 1 | CN-(aq) + H2O(l) <==> HCN(aq) + OH-(aq) | ||
| 4p 2 | Au(s) + 2CN-(aq) <==> Au(CN)2-(aq) + e- | ||
| 2p 3 | filtreren of bezinken of zeven of centrifugeren | ||
| 4p 4 | Standaard elektrode potentiaal van salpeterzuur is 0,696, van zilver is 0,8. Een HNO3 - oplossing is een oxidator die krachtig genoeg is om met zilver te reageren. | ||
| 4p 5 | Au : Cu 18 : 6 180 : 197,0 60 : 63,55 0,914 : 0,944 Er zijn meer Cu-atomen leerling heeft niet gelijk |
||
| 5p 6 | Hoeveelheid goud
die aan de positieve elektrode reageert is kleiner. Want aan beide elektroden reageren evenveel elektronen. Bij de positieve elektrode komt een deel van de elektronen van het zilver. Bij de negatieve elektronen reageren alle elektronene met Au3+(aq) |
||
| Opgave 2 | |||
| 3p 7 | ![]() DH = -4,56 · 106 Jmol-1 - -3,19 . 106 Jmol-1 = -1,37 · 106 Jmol-1 |
||
| 5p 8 | 1 kg
1,4-dimethylbenzeen is 1000 / 106 = 9,43 mol 95% komt over een met 8,96 mol, reageert volgens reactie (1) en geeft 8,96 mol x -1,37 . 106 Jmol-1 = -12,27 · 106 J 3,0% = 0,283 mol verbrandt en geeft 0,283 mol x -4,56 · 106 Jmol-1 = -1,29 · 106 J Samen: - 13.6 · 106 J Er komt 1,366 · 107 J energie vrij per kg 1,4-dimethylbenzeen |
||
| 5p 9 | ![]() |
||
| 4p 10 | 1,2-ethaandiol | ||
| 4p 11 | Per mol
1,4-benzeendicarbonzuur ontstaan meer ketens bij
'kleding-PET' dan bij 'flessen-PET' Alle ketens eindigen met een 1,2-ethaandiol residu extra. De stof met de korte ketens (kleding-PET) bevat dus relatief meer 1,2-ethaandiol residuen. Bij 'kleding-PET' wordt dus meer mol 1,2-ethaandiol gebruikt per mol1,4 benzeendicarbonzuur dan bij 'flessen-PET'. |
||
Opgave 3 |
|||
| 4p 12 | Ester van methanol en 2-methyl-2-buteenzuur | ||
| 4p 13 |
|
||
| 4p 14 |
|
||
Opgave 4 |
|||
| 4p 15 | Een ongeladen los Al-atoom heeft 3 elektronen in de buitenste schil. In deze verbindig heeft het Al-atoom 4 elektroneneparen om zich heen, dus 1 elktron meer. De lading is dus -1. | ||
| 5p 16 | 90 g wasmiddel
bevat 90 g x 30% = 27 g zeoliet. Dat is 279 : 7,3 · 102 gmol-1 = 3,7 · 10-2 mol. Dat bevat 4 x 3,7 · 10-2 = 0,148 mol Na+ In het waswater zit 1,5 x 10-2 mol Ca2+ + Mg2+ dat vervangt 3,0 · 10-2 : 0,148 x 100% = 20% |
||
| 3p 17 | Tabel 61 van de
Binas vermeldt hydratatieenthalpiën. Ca2+ heeft een hogere hydratatieenthalpie. Verwijderen van de watermantel zal dus minder energie kosten |
||
| 2p 18 | Ca2+(aq) en Mg2+(aq) | ||
| 4p 19 | Zonder filtratie zouden de evenwichten naar links verschuiven, omdat tijdens de titratie Ca2+(aq) en Mg2+(aq) wordt weggevangen. | ||
| Opgave 5 | |||
| 5p 20 | PH = 2,41 dan is [H3O+]
= 0,00389 M De Kz voor fosforzuur is 7,4 · 10-3 Er geldt: 7,4 · 10-3 = (0,00389 x 0,00389) / A A = 2,04 · 10-3 M 2,04 · 10-3 M + 3,89 . 10-3 M = 5,9 · 10-3 M In 1 liter moet dus 5,9 · 10-3 mol x 98 g/mol = 0,58 g fosforzuur opgelost worden. |
||
| 3p 21 | |||
| 4p 22 | [La3+] =
0,050 M [PO43-] moet dan minimaal 4,0 · 10-23 : 0,1 = 4,0 . 10-22 M zijn. [PO43-] = 2,98 .10-20 : 2,29 · 10-3 = 1,3 · 10-17 Dat is meer dan 4,0 . 10-22 M Er ontstaat dus een neerslag |
||
| 4p 23 | 0,1 M x 7,8 · 10-3
l = 7,8 · 10-4 mol OH- is nodig Er was dus 7,8 · 10-4 mol : 3 = 2,6 · 10-4 mol H3O+ Dus ook 2,6 · 10-4 mol fosforzuur per liter dat is per 1000 ml 2,6 . 10-4 x 20 = 5,2 · 10-3 mol = 5,2 mmol |