Uitwerkingen schriftelijk examen VWO scheikunde 1999 1e tijdvak

 

Opgave 1

4p 1 CN-(aq) + H2O(l) <==> HCN(aq) + OH-(aq)
4p  2 Au(s) + 2CN-(aq) <==> Au(CN)2-(aq) + e-
2p 3 filtreren of bezinken of zeven of centrifugeren
4p 4 Standaard elektrode potentiaal van salpeterzuur is 0,696, van zilver is 0,8. Een HNO3 - oplossing is een oxidator die krachtig genoeg is om met zilver te reageren.
4p 5 Au : Cu

18 : 6

180 : 197,0   60 : 63,55

0,914 : 0,944

Er zijn meer Cu-atomen

leerling heeft niet gelijk

5p 6 Hoeveelheid goud die aan de positieve elektrode reageert is kleiner.

Want aan beide elektroden reageren evenveel elektronen. Bij de positieve elektrode komt een deel van de elektronen van het zilver.

Bij de negatieve elektronen reageren alle elektronene met Au3+(aq)

  Opgave 2
3p 7

DH = -4,56 · 106 Jmol-1 - -3,19 . 106 Jmol-1 = -1,37 · 106 Jmol-1

5p 8 1 kg 1,4-dimethylbenzeen is

1000 / 106 = 9,43 mol

95% komt over een met 8,96 mol, reageert volgens reactie (1) en geeft 8,96 mol x -1,37 . 106 Jmol-1 = -12,27 · 106 J

3,0% = 0,283 mol verbrandt en geeft 0,283 mol x -4,56 · 106 Jmol-1 = -1,29 · 106 J

Samen: - 13.6 · 106 J

Er komt 1,366 · 107 J energie vrij per kg 1,4-dimethylbenzeen

5p  9
4p 10 1,2-ethaandiol
4p 11 Per mol 1,4-benzeendicarbonzuur ontstaan meer ketens bij 'kleding-PET' dan bij 'flessen-PET'

Alle ketens eindigen met een 1,2-ethaandiol residu extra.

De stof met de korte ketens (kleding-PET) bevat dus relatief meer 1,2-ethaandiol residuen.

Bij 'kleding-PET' wordt dus meer mol 1,2-ethaandiol gebruikt per mol1,4 benzeendicarbonzuur dan bij 'flessen-PET'.

 

Opgave 3

4p 12 Ester van methanol en 2-methyl-2-buteenzuur
4p 13
4p 14
 

Opgave 4

4p 15 Een ongeladen los Al-atoom heeft 3 elektronen in de buitenste schil. In deze verbindig heeft het Al-atoom 4 elektroneneparen om zich heen, dus 1 elktron meer. De lading is dus -1.
5p 16 90 g wasmiddel bevat 90 g x 30% = 27 g zeoliet.

Dat is 279 : 7,3 · 102 gmol-1 = 3,7 · 10-2 mol.

Dat bevat 4 x 3,7 · 10-2 = 0,148 mol Na+

In het waswater zit 1,5 x 10-2 mol Ca2+ + Mg2+ dat vervangt 3,0 · 10-2 : 0,148 x 100% = 20%

3p 17 Tabel 61 van de Binas vermeldt hydratatieenthalpiën.

Ca2+ heeft een hogere hydratatieenthalpie. Verwijderen van de watermantel zal dus minder energie kosten

2p 18 Ca2+(aq) en Mg2+(aq)
4p 19 Zonder filtratie zouden de evenwichten naar links verschuiven, omdat tijdens de titratie Ca2+(aq) en Mg2+(aq) wordt weggevangen.
  Opgave 5
5p 20 PH = 2,41 dan is [H3O+] = 0,00389 M

De Kz voor fosforzuur is 7,4 · 10-3

Er geldt: 7,4 · 10-3 = (0,00389 x 0,00389) / A

A = 2,04 · 10-3 M

2,04 · 10-3 M + 3,89 . 10-3 M = 5,9 · 10-3 M

In 1 liter moet dus 5,9 · 10-3 mol x 98 g/mol = 0,58 g fosforzuur opgelost worden.

3p 21

 Als H3PO4 oplost is [H3O+] = [H2PO4-]

Dus de laatste vergelijking wordt [HPO42-] = Kz van H2PO4-

Dit invullen in de eerste geeft de gevraagde vergelijking

4p 22 [La3+] = 0,050 M

[PO43-] moet dan minimaal 4,0 · 10-23 : 0,1 = 4,0 . 10-22 M zijn.

[PO43-] = 2,98 .10-20 : 2,29 · 10-3 = 1,3 · 10-17 Dat is meer dan 4,0 . 10-22 M

Er ontstaat dus een neerslag

4p 23 0,1 M x 7,8 · 10-3 l = 7,8 · 10-4 mol OH- is nodig

Er was dus 7,8 · 10-4 mol : 3 = 2,6 · 10-4 mol H3O+

Dus ook 2,6 · 10-4 mol fosforzuur per liter

dat is per 1000 ml 2,6 . 10-4 x 20 = 5,2 · 10-3 mol = 5,2 mmol


Terug naar index

Hosted by www.Geocities.ws

1