In het
dagblad NRC Handelsblad verscheen op 17januari 1998, een aantal
weken na de
onrust in de Groningse Oosterparkbuurt tiidens de jaarwisseling,
een artikel over het
gepleegde geweld en het falend optreden van politie en justitie
met als titel "Gezag in de
de polder" van de journalist en publicist Herman Vuijsje.
Onderstaande tekst, die bijna
2500 woorden telt, is een bewerking van dat artikel.
Geef van onderstaande tekst een samenvatting van maximaal 500
woorden. De sarnenvatting
moet een duidelijk beeld geven van de gedachtegang van de auteur
De daarvoor
noodzakelijke informatie-elenienten dienen te worden opgenomen in
eensamenhangende
tekst die is geschreven in goed Nederlands, zodat iemand die de
oorspronkelijke tekst niet
kent, de samenvatting goed kan volgen. Het is toegestaan
essentiële woorden of
zinswendingen uit de voorgelegde tekst te gebruiken. Het is niet
de bedoeling dat je zinnen
uit de voorgelegde tekst letterlijk in je samenvatting overneemt.
Uit: Morris & Goscinny, Billy the Kid. Leeuwarden.
Herman Vuijsje in de herhaling. Was
is 1992 zijn 'De tweede bevrijding' prijswinnaar, dit jaar
mochten de vwo-leerlingen kennisnemen van zijn pleidooi voor 'een
politiekorps met hart voor de zaak' dat het gezag in de polder
moet doen terugkeren.
Ik geef geen kant-en-klare samenvatting, maar zal in en rond de tekst die informatie aangeven die relevant is.
Gezag in de
polder
1 Was
Billy the Kid afkomstig uit een kansarm milieu'? Morris &
Goscinny, de auteurs
2 van het gelijknamige Lucky Luke-album, laten er geen
twijfel over bestaan: Billy groeit op
3 in een gewoon gezin, waar hem een fatsoenlijk normen- en
waardenpatroon wordt
4 bijgebracht. Hij verlaat op vijftienjarige leeftijd de
ouderlijke boerderij en begeeft zich
5 naar het stadje Fort Weakling, waar hij al gauw
een heus schrikbewind over de bevolking
6 uitoefent.
7 De bewoners van de vreedzame nederzetting
zijn lamgeslagen door het plotselinge
8 geweld. De sheriff komt zijn kantoor niet meer uit. De
kruidenier moet tandenknarsend
9 toezien hoe Billy voor een kapitaal aan ulevellen bij hem
steelt. In de saloon mag alleen
10 nog warme chocolademelk worden geschonken, want daar
houdt Billy zo van. Vraagt een
11 vreemdeling of hij niets anders in huis heeft, dan
antwoordt de kroegbaas: -Billv vindt liet
12 soms ook goed dat ik lauwe of koude chocola serveer.
13 Zo is de toestand in Fort Weakling als Lucky
Luke het stadje komt binnenrijden.
14 Natuurlijk besluit hij law and order te
herstellen, maar dat gaat nog niet zo eenvoudig.
15 Niemand durft zijn mond open te doen, bang voor
represailles van Billy. Als Luke de
16 kruidenier als getuige dagvaardt, verklaart deze ter
rechtszitting: -Eh ... meneer Billy the
17 Kid heeft misschien een paar caramelletjes van me
geleend ... en ik vraag er wel excuus
18 voor." Billy wordt subiet vrijgesproken. Pas als
Luke de bengel een pak slaag heeft
19 gegeven, vermant de bevolking van Fort Weakling zich. De
ban is gebroken. J-let gaat niet
20 om die caramellen, maar om het principe", verklaart
de kruidenier nu met uitgestreken
21 gezicht, en Billy wordt tot 1.247 jaar dwangarbeid
veroordeeld. Voortaan zero tolerance
22 voor Billy the Kid.
23 Groningen, nieuwjaarsdag 19981): Billy was
here. De restanten van de deuren in de
24 verlaten woningen staan open en piepen onheilspellend in
de wind. Het glas van de ramen
25 ligt in de voortuintjes. De zwartgeblakerde woonkamer van
het ene huis is kniehoog
26 gevuld met afval. Het andere, de woning van Statenlid
Sjon Lammerts, is dichtgespijkerd.
27 Lammerts is ongehoorzaam geweest: hij heeft gepraat. Dat
beviel de kids van de
28 Groninger Oosterparkbuurt niet.
Na een lange aanloop (met fraaie illustratie!) komt de auteur tot de constatering dat de roep om zero tolerance in Nederland toeneemt en dat het door politie en justitie gekoesterde overlegmodel onder vuur ligt.
29 Maar
nu zijn de blagen dan toch te ver gegaan. Sinds de gebeurtenissen
in het
30 noorden des lands wordt wat jaren onzegbaar was, alom
gehoord. Dezelfde mensen die
31 tien jaar geleden achter ieder opengetrokken blik agenten
de politiestaat ontwaarden,
32 pleiten nu voor zero tolerance, zwaardere straffen en een
sterke, van bovenaf geleide
33 politieorganisatie. Dat pleidooi houdt
kritiek in op het overlegmodel dat wordt gekoesterd
34 door de Nederlandse justitie en politie.
Na deze constatering volgt een alibea waarin de al of niet historische basis van ons overlegmodel aan de orde komt.
35 Onze
liberale
traditie lijkt onverenigbaar met 'barse' gezagshandhaving. Die
36 gedachte verwierf de afgelopen decennia een zo grote vanzelfsprekendheid dat die zonder
37 meer kon doorwerken in de cultuur van politie en
justitie. Zo voerde minister Sorgdrager in
38 1995 het Nederlandse gedoogbeleid mede terug op de uit de
zeventiende eeuw daterende
39 spreekwoordelijke 'Hollandse tolerantie'. Sorgdrager
vergat daarbij dat de - relatieve -
40 tolerantie van de regenten alleen betrekking had op
godsdienstige en democratische
41 vrijheden. Onze voorvaderen stelden zich bepaald niet
'gedogend' op tegenover vandalen,
42 dieven en inbrekers. Ook de ruimte voor bokkensprongen in
het persoonlijk leven was niet
43 groot. Als ons overlegmodel al kan worden teruggevoerd op
de Gouden Eeuw, dan geldt
44 dat in ieder geval niet voor de houding van het gezag
tegenover normontduiking. Toch is
45 dat model ook bij politie en justitie als vanzelfsprekend
ingevoerd.
De auteur betoogt in de volgende alinea's dat de schok die we nu meemaken niet uit de lucht komt vallen, het anders denken over gezag is al geruime tijd gaande. Het grote publiek heeft het geweld echter pas als een probleem gezien toen het dichtbij kwam.
46 De
schok die we nu meemaken, is een versnelling van een proces dat
al geruime tijd
47 gaande is en waarvan het einde nog niet in zicht is: de
omslag in het denken over burger en
48 gezag. Sinds de jaren zeventig, toen de
criminaliteitscijfers aan hun snelle stijging begonnen,
49 kwam er een eind aan de liberalisering van de
opvattingen over wetshandhaving en straf.
50 Enquétes lieten zien dat meer repressieve ideeën aan
een opmars begonnen. Daarna
51 duurde het nog vijftien jaar voordat deze ideeën in de
openbare meningsvorming
52 doordrongen en onder beleidsmakers bespreekbaar werden.
De feitelijke
doorwerking in
53 maatregelen
en voorzieningen kost daarna ook weer veel tijd.
54 Wonderlijk dat het allemaal zo lang moet
duren. De stijging van de
55 criminaliteitscijfers verliep bij ons juist snel. Onder
het zuilenstelsel was Nederland een
56 van de minst criminele landen ter wereld; nu liggen de
misdaadcijfers boven het West-
57 Europees gemiddelde. De totale door de politie
geregistreerde criminaliteit per hoofd van
58 de bevolking is tussen 1970 en 1992 verviervoudigd. De
geweldscriminaliteit per hoofd
59 verdrievoudigde, een groei die veel hoger is dan in
Frankrijk, de Verenigde Staten en West-
60 Duitsland. In Nederland is de afgelopen decennia dus een
snelle uitbreiding tot stand
61 gekomen van de groep mensen - slachtoffers en
familieleden - die zijn getraumatiseerd
62 door geweld, en vaak ook door de reactie van politie en
justitie. Een grote groep
63 langzamerhand, maar niet groot en sterk genoeg om zich
als belangengroep te
64 manifesteren. Voor een snellere omslag in het denken over
geweld was iets anders nodig:
65 de publieke opinie moest het geweld als probleem gaan
zien.
66 Aanvankelijk zag het grote publiek geweld
nauwelijks als een bedreiging. Wel zijn
67 Nederlanders de afgelopen decennia veel méér belang
gaan hechten aan de
68 onaantastbaarheid van het eigen lichaam. In 1983 werd het
recht daarop vastgelegd in
69 artikel 11 van de Grondwet. Voor bepaalde vormen van
aantasting van de lichamelijke
70 integriteit - bijvoorbeeld door DNA-onderzoek,
verkrachting en incest - nam de
71 gevoeligheid sterk toe. Veel rmnder aandacht ging uit
naar de oude vertrouwde vormen
72 van fysieke aantasting: een klap op je kop of een mes in
je rug. Die vormen van geweld
73 werden als veel minder bedreigend ervaren: daarvoor
stonden ze te ver van ons af. Dat
74 blijkt ook uit het ontbreken van collectieve maatregelen.
Voor ziekte, werkloosheid en
75 ouderdom hebben we wel effectieve, collectieve
voorzieningen opgezet; ook al
76 identificeren we ons niet meer met elkaar via
'gezindheidsgroepen', van ziekte en
77 werkloosheid kunnen we ons allemaal voorstellen dat het
ons overkomt. Voor geweld
78 geldt dat in Nederland veel minder, dat is iets wat
alleen anderen treft. Geweld wordt pas
79 een probleem als het dichtbij komt.
80 Dat is nu gebeurd. Met de dood van Joes en Meindert en de
gedwongen vlucht van
81 Sjon Lammerts is het geweld 'tot ons gekomen'. Dit was
geen geweld 'binnen het criminele
82 circuit', ook geen confrontatie met een gestoorde junk,
maar geweld door gewone jongens
83 tegen gewone mensen. Voor het eerst hebben brede groepen die
persoonlijk geen ervaring
84 hebben
met geweld, het gevoel gekregen dat ook hun zaak in het geding is.
Hoe zit het nu met de achtergronden van Groningen/Leeuwarden-gate? De auteur onderscheidt in zijn analyse een aantal op elkaar inwerkende factoren.
85 Wie
probeert de achtergronden van Groningen/Leeuwarden-gate te doorzien, stuit
86 op een complex van op elkaar inwerkende
factoren die typerend zijn voor onze
87 samenleving. Ook elders, buiten de sfeer van politie en
justitie, zijn we gewend geraakt aan
88 gezagsdragers die elkaar bevechten in een brij van
collegiale gezagsverhoudingen en
89 permanente reorganisatie. Het zou dan ook onrechtvaardig
zijn, de schuld voor de
90 miskleunen in Groningen en Leeuwarden alleen bij de
mannetjes te leggen. De
91 betrokkenen moesten opereren in een bizarre potpourri van
taken, bevoegdheden en
92 gezagslijnen en toen puntje bij paaltje kwam, lukte dat
niet. De criminoloog Hoefnagels
93 nam het in de Volkskrant op voor de politieagenten die op
de vlucht gingen voor knapen
94 met knuppels. Dat was niet gebeurd zonder de
"decennialange verwaarlozing door
95 hogerhand van de aanwezigheid van de politie op de
straat".
96 Maar niet alleen 'hogerhand' kan
verantwoordelijk worden gesteld. De afgelopen
97 jaren hebben we meer voorbeelden gezien van
verbazingwekkende afzijdigheid waar
98 ingrijpen geboden was, zoals bij Dutchbat in Srebrenica
en de brandweer van vliegveld
99 Welschap bij de Herculesramp. In deze gevallen bleek de sterke
non-interventiecultuur die
100 zich
de laatste decennia in Nederland heeft verspreid, ook te zijn
doorgedrongen in
101 organisaties
wier taak het juist is te interveniëren.
102 De aansturing van de regionale politie via
de zogenaamde 'driehoek', bestaande uit
103 de burgemeester van de grootste stad, de korpschef en de
hoofdofficier van justitie is in
104 feite een vorm van 'collegiaal bestuur', zoals dat ook
in gemeenten en op departementen is
105 ingevoerd. Hiërarchische verantwoordelijkheid maakte
daarbij plaats voor
106 aandachtsgebieden'; een bestuursraad werd integraal
verantwoordelijk voor de hele
107 beleidsuitvoering. In 1996 rapporteerde een organisatie-
en adviesbureau dat de collegiale
108 opzet bij de ministeries mislukt leek. De positie van de
bestuursraden was onduidelijk en
109 ze werden door bewindslieden veelal genegeerd. Datzelfde
jaar werden bij de ministeries
110 van Justitie en Sociale Zaken de bestuursraden
opgeheven. Nu is het dan de beurt aan
111 politie en justitie. Groningen/Leeuwarden-gate laat zien
dat een collegiaal
model wellicht
112 prima werkt
als alles goed gaat, maar kwetsbaar is in tijden van tegenslag.
Lopen de
113 belangen van alle betrokken partijen parallel, dan valt
door rustig geven en nemen een
114 resultaat te behalen dat voor allen gunstig is. Maar als
er grote moeilijkheden moeten
115 worden overwonnen, en als de onderhandelingspartners
door conflicten worden verdeeld,
116 eisen
onduidelijkheden in de aansturing hun tol."Als de
samenwerking goed is, hoeven de
117 formele regels geen probleem te zijn", aldus een
hoofdcommissaris van politie. "Maar als
118 een partij de ander geen ruimte laat, dan krijgje heel
zware dialogen." Of juist helemaal
119 geen dialogen meer, zoals in Groningen, waar men binnen
de driehoek nauwelijks meer on
120 speaking terms was. Volgens de Groninger korpschef
Veenstra ging het daar al vier jaar
121 geleden mis, maar bleef dat binnenskamers, omdat er
niets moeilijks gebeurde.
122 Ook de veranderingen in de verhouding tussen
politie en burgers onderscheidden
123 zich in niets van ontwikkelingen elders in de
samenleving. Net als heel Nederland
124 'informaliseerde' de politie. De veldwachter uit de tijd
van Swiebertje en Dik Trom moest
125 in het openbaar altijd zijn uniform dragen: het gezag
moest steeds herkenbaar zijn. De
126 politieuniformen uit de jaren vijftig, met hun laarzen,
rijbroeken en hoge petten, maken nu
127 een akelige, haast nazi-achtige indruk. Tegenwoordig is
de pet 'plat', en zelfs die zetten
128 surveillerende agenten liever af dan op. De 'informalisering'
van het politiewerk blijkt ook
129 uit de folders en affiches waarmee nieuwe agenten worden
geworven. In het begin van de
130 eeuw was de toon krijgshaftig: "Een taak voor
mannen". Later werd steeds meer nadruk
131 gelegd op de aantrekkelijkheid van een baan in de
buitenlucht, sportief en met veel
132 contacten. De verandering valt goed af te lezen aan de
portrettengalerij van inspecteurs-
133 generaal van de rijkspolitie die te bewonderen is in het
Politiemuseum te Apeldoorn. Met
134 het verloop van de tijd gingen de inspecteurs steeds
vriendelijker en relaxter kijken.
135 Wat arbeidsverhoudingen betreft, volgde de politie
eveneens het algemene
136 Nederlandse patroon: de basis verwierf meer macht ten
opzichte van de hogere echelons.
137 Het enige verschil is dat dit proces bij de politie,
waar de top door de nieuwe Politiewet
138 sterk verzwakt was, doorschoot in de richting van een
soort arbeiderszelfbestuur. Vandaar
139 dat de politie alleen tijdens kantooruren op maximale
sterkte kan opereren en dat
140 's nachts niet meer dan vier procent van het personeel
in actieve dienst is. Deze nadruk op
141 de 'consumptieve' kanten van het politiewerk doet de
kwaliteit van politie en justitie geen
142 goed. Er heerst een "schrijnend gebrek aan
strafrechtelijk vakmanschap", aldus de
143 Groninger strafrechtjurist W Wedzinga in de Volkskrant.
Om carrière te maken bij het
144 Openbaar Ministerie moet je vooral beleidsmatig werk
doen, veel in de vergaderzaal
145 zitten. Het juridische handwerk wordt overgelaten aan
'zittingboeren'. Heel wat officieren
146 van justitie kunnen daardoor geen afdoende weerwerk meer
bieden aan de top van de
147 strafrechtadvocatuur.
148 Deze verschraling van de aandacht voor de
uitvoerende taken is niet exclusief voor
149 politie of justitie. Uitvoerend, ambachtelijk werk in de
'eerste lijn' is overal in status en
150 aantrekkelijkheid gedaald ten opzichte van het betere
denkwerk. Journalisten schrijven
151 liever gewichtige essays dan de straat op te gaan om een
nieuwsbericht te maken.
152 Psychologen houden zich liever bezig met beleidsnota's
en spreekkamergesprekken dan
153 met schizofrene zwervers op een winderig plein. Deze
'vlucht naar binnen' wordt bij de
154 politie, zoals bij talloze andere instellingen,
aangewakkerd door opeenvolgende
155 reorganisaties. Als ieders positie
steeds opnieuw op het spel staat, verslapt de motivatie en
156 gaan mensen uitzien naar een veilig plekje. Bij de
politie zijn de reorganisaties volgens
157 Hoefnagels langzamerhand een 'criminogene factor"2)
geworden.
158 Net als andere organisaties heeft de politie te kampen
met de nadelen van een al te
159 enthousiaste
omhelzing van het overlegmodel. Het verschil is dat deze nadelen
bij de
160 meeste instellingen geld kosten, terwijl bij politie en
justitie vooral een sociale prijs wordt
161 betaald. Dat is echter niet de prijs waarover de
politiebonden zich druk maken. Voor de
162 bonden - de sector
kent een zeer hoge organisatiegraad van 75 procent - staat het
163 verdedigen
van de door hen verworven rechten voorop. Tot op heden met
succes: 'nieuwe
164 realisten' als de voormalige korpschef Brinkman in
Rotterdam en Ouwerkerk, voormalig
165 burgemeester van Groningen, slaagden er niet in het
politiefront te breken. Ouwerkerk
166 schilderde in 1995 de CAO-eisen van de politiebonden af
als een 'centenkraam' en
167 verweet de dienders alleen aan geld te denken. Dat kwam
hem op oorlog te staan. Maar
168 een paar maanden later zei H. Kruizinga, scheidend
voorzitter van de Algemeen
169 Christelijke Politiebond het hem na: de bonden zijn
'CAO-machines'geworden. Bij artsen
170 en journalisten vinden we het heel gewoon dat het werk
een speciaal soort toewijding met
171 zich meebrengt, die niet om vijf uur eindigt. Hun bonden
hebben trekken van een
172 1 standsorganisatie', die ook opkomt voor immateriële
zaken. Maar bij de politiebonden is
173 dat standskarakter verdwenen, stelt Kruizinga spijtig
vast.
Na deze analyse volgt de aanloop naar de finale van de tekst: de vraag naar de mogelijkheid van een formelere opstelling van de politie en naar het weer een 'roeping'worden van het politiewerk.
174 Is het mogelijk
dat de politie zich weer formeler gaat opstellen en dat het
175 politiewerk weer meer een 'roeping' wordt? Deze gedachte
verdraagt zich slecht met ons
176 anti-autoritaire volkskarakter en staat haaks op het
door velen gekoesterde axioma dat
177 een terugkeer naar iets uit het verleden nooit goed kan
zijn.
De auteur stelt twee voorwaarden.
178 Als
we het toch willen proberen, moeten er twee dingen gebeuren. Aan
de ene kant
179 moeten het aanzien en de betaling van het politiewerk
weerspiegelen welk een grote
180 maatschappelijke
waarde we eraan hechten. Harrv Starren van
opleidinosinstituut De
181 Baak in Noordwijk denkt dat aan agenten steeds
professioneler eisen zullen worden
182 gesteld en voorziet dat hun opleiding wordt opgetrokken
naar hbo-niveau. Politie en
183 justitie moeten begeerde werkplekken worden, waar ook de
meest getalenteerden op
184 afkomen, dat is de ene helft van het verhaal.
185 De andere helft is de erkenning dat werken bij
de politie speciale eisen met zich
186 meebrengt. Zero tolerance niet
alleen voor Billy the Kid en consorten, maar ook voor een
187 aantal 'verworven rechten' van de politie zelf, zoals
actievoeren in diensttijd, schimmige
188 bijbaantjes, negen-tot-vijfroosters en lijntjes naar
particuliere beveiligingsdiensten. De
189 politiebonden willen wel de eerste, maar niet de tweede
helft. De idee van de agent als
190 'gewone werknemer' is het grootste obstakel op weg naar
een politiekorps met hart voor
191 de zaak.
De conclusie:
En zonder krachtig
politieapparaat ziet het er niet naar uit dat het gezag in de
192 polder terugkeert.
Ik hoop dat deze analyse je enig inzicht geeft in de kwalteit van de door jou gemaakte samenvatting. Veel succes in de komende weken en............. oefen nog een opstel!