Uitwerkingen schriftelijk examen VWO economie I 1999 1e tijdvak

 

Opgave 1

2p  1 De salarisuitgaven van de overheid vallen onder de overheidsconsumptie, dus onder de overheidsbestedingen. De opbrengst van schoolgeld is een retributie en valt dus onder de overige overheidsinkomsten.
3p  2 Met 17 miljard. Buitenlandse beleggers hebben voor 17 miljard staatsobligaties aangekocht; er is dus 17 miljard extra geld uit het buitenland binnengekomen.
2p  3 Bij overbesteding leidt geldschepping tot inflatie, omdat de vraag naar goederen groter wordt dan de productiecapaciteit. Inflatie is een verslechtering van de concurrentiepositie; de prijzen stijgen immers.
3p  4 Als de koers van de gulden stabiel is, lopen buitenlandse beleggers weinig koersrisico. Zij durven dan eerder staatobligaties aan te kopen.
3p  5 In 1997 zijn de rente-uitgaven 30 mrd (6 + 24). De staatsschuld aan het begin van 1997 bedraagt dan 30/6 x 100 = 500 mrd. De staatsschuld groeit in 1997 met het financieringstekort van 1997. Het financieringstekort is het begrotingstekort (bedrag dat geleend moet worden, dus 22 + 17 = 39 mrd) minus de aflossingen staatsschuld (15 + 4 = 19 mrd) = 20 mrd. De staatsschuld aan het begin van 1998 is dan 500 + 20 = 520 mrd. De rente in 1998 is daar 6% van = 31,2 mrd.
2p  6 De overdrachtsuitgaven bedragen 13 + 24 + 15 + 31 + 6 + 4 + 5 = 98 mrd. De overheidsuitgaven bedragen 98 + 123 = 221 mrd. 98 / 221 x 100% =44,3%.
3p  7 Een verbetering van de infrastructuur kan leiden tot een groter nationaal product (vervoer goedkoper en sneller). Een hoger nationaal product leidt tot hogere belastingontvangsten van de overheid, waardoor de overheidsuitgaven makkelijker betaald kunnen worden. Een hoger nationaal product geeft meer werkgelegenheid. er zullen dus ook minder overdrachtsuitgaven betaald hoeven worden.
 

Opgave 2

2p  8 De NS concurreert niet met de Kennemerland Express omdat ze zelf deze lijn gesloten had.
2p  9 Lovers moet proberen met een lage prijs de markt te veroveren. De aanloopkosten zijn in het begin zo hoog dat kostendekkend aanbieden bij een lage prijs niet mogelijk is.
3p 10 De kosten in het eerste jaar bedragen: TK = 0,25 x 200.000 + 100.000 = 150.000; de totale opbrengst is: TO = 0,3 x 200.000 = 60.000. De totale opbrengst dekt minder dan de helft van de totale kosten dus de doelstelling is niet gehaald. 60.000 / 150.000 x 100% = 40%.
3p 11 Bij een prijs van 0,3 wordt 200.000 verkocht. Stel dat de prijs met 100% stijgt en dus 0,6 wordt; de vraag daalt dan met 75% en wordt dan 50.000. (Epv = -75 / 100 = -0,75). De formule voor de vraagfunctie in symbolen luidt: q = ap + b. Dit geeft:

200.000 = a x 0,3 + b en 50.000 = a x 0,6 + b. Onder elkaar zetten en aftrekken geeft

150.000 = -0,3a; a = 150.000 / -0,3 = -500.000. Invullen in een van de twee formules geeft een b van 350.000.


2p 12 De vraagfunctie is naar rechts verschoven (350.000 werd 425.000). Bij dezelfde prijzen wordt nu dus meer afgezet. De actie heeft zijn doel bereikt. 
4p 13 Er is sprake van maximale winst als MO = MK.  MK = TK' = 0,25.  MO = TO'

TO = GO x q

TO = (-1 / 500.000 Q + 0,85)q; MO = -1 / 250.000 q + 0.85; MO + MK geeft q = 150.000;  

q invullen in de GO geeft een verkoopprijs van 0,55

 

Opgave 3

2p 14 Exogene grootheden zijn van buitenaf gegeven. In dit schema zijn dat de wereldhandel en de arbeidstijd.
4p 15 Als de loonkosten per werknemer stijgen, stijgt het looninkomen, waardoor de consumptie stijgt, EV stijgt, productie stijgt, bezettingsgraad stijgt, vraag naar arbeid stijgt, werkloosheid daalt. Dit is een conjuncturele benadering: door loonkostenstijging stijgt de EV en daalt de conjuncturele werkloosheid.

Als de loonkosten per werknemer stijgen, stijgen de loonkosten per product, waardoor prijs van arbeid ten opzichte van kapitaal stijgt, waardoor meer innovatie, stijgende investeringen (diepte), minder arbeidsplaatsen, dalende vraag naar arbeid, meer structurele werkloosheid.

3p 16 Een afname van de werkloosheid is een signaal dat de kans op het vinden van een baan groter wordt. Er zullen meer mensen geneigd zijn zich aan te bieden op de arbeidsmarkt.
3p 17 Onder de voorwaarde dat de arbeidsproductiviteit niet sterker gestegen is dan de loonkosten per werknemer.
3p 18 Als de prijs van kapitaal stijgt, daalt de prijs van arbeid ten opzichte van kapitaal, waardoor de innovatie daalt, de diepte-investeringen dalen en de vraag naar arbeid stijgt. Een stijging van de prijs van kapitaal leidt dus tot een stijging van de vraag naar arbeid.
3p 19 Een positieve kruiselasticiteit van 0,2 betekent dat de vraag naar arbeid met 1% daalt als de prijs van kapitaal met 5% daalt. de prijsverlaging van arbeid moet dus leiden tot een vraagstijging van 1%. De prijselasticiteit van de vraag naar arbeid is -0,4; de prijs moet dus 2,5% dalen.
2p 20 De overheid zou de belastingen of de sociale premies kunnen verlagen, waardoor de netto lonen stijgen bij gelijkblijvende bruto lonen. De bruto lonen kunnen dan gematigd worden. De sociale lasten van de werkgever zouden ook verlaagd kunnen worden, waardoor de wig kleiner wordt bij gelijke bruto lonen.
 

Opgave 4

Wat is in hemelsnaam een perunage. Hoeveel leerlingen zullen dit weten? Wilt u mij emailen als u dit WIST? Volgens ons bestaat dit woord niet!

2p 21 Het model is gericht op het berekenen van het nationaal inkomen.
3p 22 Y = 518; B = 0,4 x 518 + 5 = 212,2; R = -0,005(212,2 - 215) + 0,05 = 0,064;

C = 0,8 (518 - 212,2) - (15 x 0.064) + 15 = 258,68 mrd.

3p 23 Als Bo daalt, daalt B, stijgt C. Als Bo daalt, stijgt R, waardoor zowel C als I dalen. I is echter veel sterker afhankelijk van R dan C; I daalt dus veel sterker dan C, terwijl de daling van C wordt overtroffen door het stijgende effect via het stijgende besteedbare inkomen.
2p 24 Door een belastingverlaging voor consumenten stijgt de effectieve vraag. Om aan de toenemende vraag te kunnen blijven voldoen, zullen bedrijven moeten gaan investeren.
3p 25  DY = -0,5 DBo = -0,5 x -5 = 2,5; DY = 4 DIo = 4 x 6,5 = 26; Y stijgt dus met 26 + 2,5 = 28,5 mrd. Y wordt 518 = 28,5 = 541,5; B = 0,4 x 546,5 = 218,6 (vergeet niet de verandering van Bo te verwerken!) B - ) = 218,6 - 215 = 3,6. Er is dus een overschot bij de overheid van 3,6 mrd.
3p 26 Een stijging van de autonome rentevoet leidt tot een stijging van R, waardoor C en I dalen, waardoor Y daalt, waardoor B daalt, waardoor (B - O) daalt, waardoor de rente verder stijgt.
3p 27 Een renteverhoging maakt het land aantrekkelijk voor buitenlandse beleggers, waardoor de vraag naar de munt van het land stijgt en de wisselkoers gaat stijgen. Een stijgende wisselkoers remt de export af, waardoor de bestedingen dalen en de overbesteding wordt afgeremd. De overbestedingsinflatie kan dan afzwakken.
 

Opgave 5

4p 28 In 1996 stijgen de prijzen met 125% en in 1997 met 110%. Eind 1997 is het prijsindexcijfer dan 225 x 2,10 = 472,5. De nominale waarde van de munt is en blijft 100. De geldontwaarding is dan 100 -100 / 472,5 x 100 = 78,8; een daling dus van 78,8%.
3p 29 Bij een hoge inflatie vluchten mensen eerder in goederen, waardoor de ruil in nature toeneemt.
2p 30 Bijvoorbeeld: een ontwikkelingsland heeft een gebrekkige produktiestructuur waardoor er onvoldiende voor de export kan worden geproduceerd.
2p 31 In 1996 is het saldo van de lopende rekening -24 en van de totale rekening -17,6. Het saldo van de kapitaalrekening in 1996 = +6,4 (-17,6 = -24 + 6,4). Voor 1997 geldt: -12,1 = -30,5 + 18,4

Het saldo van de kapitaalrekening is dus verbeterd met (18,4 - 6,4) = 12 mrd.

2p 32 Het saldo van de kapitaalrekening is gestegen; er is dus sprake van kapitaalimport; de investeringen moeten zijn toegenomen; het investeringsklimaat is dus verbeterd.
2p 33 Een tekort op de betalingsbalans leidt tot afvloeien van deviezen. De deviezenreserve is dus afgenomen.
2p 34 Een verbetering van het saldo van de kapitaalrekening betekent per saldo een grotere kapitaalimport, waardoor de uitgaven aan rente en winst op de inkomensrekening gaan stijgen. Het saldo van de inkomensrekening wordt dus negatief beïnvloed.

Terug naar index

Hosted by www.Geocities.ws

1