GELD

Dit economieverslag gaat over geld. Aangezien geld een grote rol speelt in de economie is het gelijk een goede samenvatting over dat onderdeel.

Inhoudsopgave

1 Wat is geld?

2 Chartaal geld

3 Giraal geld

4 Functies en waarde van geld

5 Vreemd geld

6 De maatschappelijke hoeveelheid

7 Krediet

8 Bijna geld

9 Money makes the world go round

10 Vragen over hoofdstukken 1t/m9

11 Begrippenlijst (cursiefgedrukte woorden)

Wat is geld?

Het antwoord op die vraag ga ik in dit hoofdstuk uitleggen. Het woordenboek geeft als betekenis: algemeen ruilmiddel, zowel van metaal als van papier. Geld heeft ook functies als waardemiddel en als spaarmiddel. Maar nu mijn uitleg.

In primitieve samenlevingen konden de familie- en stamverbanden gezamenlijk in hun eigen onderhoud voorzien. Het woord geld stamt dan ook af van het Germaanse woord geldan, wat vergoeden betekent. Als dank voor en in hoop op voorspoedige tijden gaf men de goden daarvoor op deze manier een vergoeding.

Geld wordt als eerste gebruikt bij het ontstaan van een volksverhuizing. Individuen, stammen en volken begonnen zich, al naar gelang de plaatselijke omstandigheden, te specialiseren. Door deze arbeidsverdeling kon men niet meer in zijn eigen levensonderhoud voorzien. Het is namelijk moeilijk goederen tegen goederen te ruilen.

Bijvoorbeeld: boer Angenent is een spruitenboer. Hij wilt graag vis bij zijn spruiten, dus gaat hij naar visser Esseboom om vis te ruilen tegen spruiten, maar visser Esseboom lust geen spruiten dus gaat de deal niet door. Dat is wel een nadeel van ruilhandel. Ook als het om de waarde van een bepaalde producten gaat. Je kan bijvoorbeeld nooit een vis tegen een kano ruilen. Hoe vaak zo men dan wel niet een tussenruil moeten doen om het doel te bereiken? Dan ontstaat er een verlangen naar een ruilgoed die de tussenruil uitschakelt. Deze taak vervult geld. Als ruilmiddelen hebben gediend goederen als gereedschap, sieraden, metalen staven, cacaobonen, rijst, thee, vee, schelpen, etc. Waarom deze goederen niet geschikt waren om als ruilmiddel te dienen leg ik in hoofdstuk 4 uit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Chartaal geld

Chartaal geld is het gewone geld dat wij in het dagelijks leven gebruiken, zoals munten en bankbiljetten.

Het ontstaan van de munt:

Het is aan de Babyloniërs te danken dat goud lange tijd een belangrijke rol heeft gespeeld in het geldverkeer. Zij leefden ongeveer 3000 jaar voor Christus in het Midden Oosten. De toekomstvoorspellers hadden ontdekt, dat er een bepaald verband bestond tussen de zon en goud en de maan en zilver. Goud en zilver hadden daarom iets goddelijks, wat van belang was met de acceptatie ervan als ruilmiddel. Er werden voor het eerst munten gebruikt tijdens de 7e eeuw voor Christus in het Midden Oosten. Omdat in die tijd niet alleen mensen die het geloof verkondigen, maar ook koningen iets goddelijks bezaten, lieten koningen op een gegeven moment hun afbeeldingen in de munten slaan. Vanuit het Midden Oosten waaide dit gebruik over naar Europa.

MUNTEN IN NEDERLAND

Munt

Waarde

Omloop (FL)

Stuks

Stuiver FL 0,05 FL 74.000.000 1.480.000.000
Dubbeltje FL 0,10 FL 206.000.000 2.060.000.000
Kwartje FL 0,25 FL 299.000.000 916.000.000
Gulden FL 1,00 FL 679.000.000 679.000.000
Rijksdaalder FL 2,50 FL 475.000.000 190.000.000
Vijfguldenmunt FL 5,00 FL 936.000.000 187.200.000
Tienguldenmunt FL 10,00 FL 141.000.000 14.100.000
Vijftigguldenmunt FL 50,00 FL 282.000.000 5.640.000

Het ontstaan van bankbiljetten:

In de 16e eeuw bewaarden veel Londense kooplieden hun spaargeld in de Tower, waar ook de voorraad edelmetaal lag waaruit de koninklijke munten werden geslagen. In 1640 legde Karel I beslag op de spaargelden van de kooplieden, omdat hij dringend geld nodig had om oorlog te kunnen voeren. Vanaf dat moment brachten de kooplieden hun spaargeld onder bij de goudsmeden. Als bewijs ontvingen de kooplieden een "goldsmithnote" (kwitantie), waarmee zij hun spaargeld weer mee konden ophalen. Algauw werden deze ontvangstbewijzen door kooplieden aan elkaar doorgegeven. De rechten om een deel van het geld op te halen werden dus overdraagbaar. In zekere zin was een "goldsmithnote" gaan dienen als een bankbiljet. Hierdoor werd het geld dat in bewaring was gegeven in de praktijk slechts voor een beperkt gedeelte opgevraagd. Op grond van de ervaring dat ongeveer 30% van de waarde van het goud en zilver dat in de kluis van de goudsmeden lag, voldoende was om de opvragingen in goud en zilver te voldoen, gingen de goudsmeden goud en zilver uitlenen. Later gingen zij uitlenen in de vorm van "goldsmithnotes", waardoor zij nog veel meer konden uitlenen.

Hiervoor ontvingen de goudsmeden een bepaald bedrag aan rente.

Om nog meer krediet te kunnen verstrekken, ging men ook rente vergoeden aan degene die ook goud en zilver in bewaring gaven bij de goudsmid. Door onkunde en oplichting gingen vele goudsmeden en mensen die ook opeens wel iets zagen in een dergelijke bezigheid, failliet. Daarom brachten de Londense zakenlui een bepaald bedrag bijeen en leenden dit aan de staat in ruil voor het recht om de Bank of England op te richten. De bankbiljetten die door deze bank werden uitgegeven waren door de staat gegarandeerd.

In 1694 begon zodoende de geschiedenis van het bankbiljet, zoals wij dat nu kennen. Toch waren er nog zo'n 300 banken in Engeland die tot de 18e eeuw hun eigen bankbiljetten uitgaven. In 1792 kwam hieraan een einde toen de Bankwet werd ingevoerd. Voortaan zouden alleen biljetten van de Bank of England als wettig betaalmiddel mogen worden gebruikt. In de andere landen, waar de economische ontwikkeling destijds trager verliep, trad in de jaren daarna dezelfde ontwikkeling op. In ons land werd in 1814 De Nederlandse Bank (DNB) opgericht. Er werd vooral krediet verstrekt in de vorm van bankbiljetten die op vertoon tot 1936 ingewisseld konden worden tegen gouden en zilveren munten. Tegenwoordig komen bankbiljetten in omloop via banken en postkantoren.

BANKBILJETTEN IN NEDERLAND

Biljet

Waarde

Omloop (FL)

Stuks

Tiengulden FL 10 FL 838.000.000 83.800.000
Vijfentwintiggulden FL 25 FL 1.812.000.000 72.480.000
Vijftiggulden FL 50 FL 1.946.000.000 38.920.000
Honderdgulden FL 100 FL13.842.000.000 138.420.000
Tweehonderdvijftiggulden FL 250 FL 5.246.000.000 20.420.000
Duizendgulden FL 1.000 FL14.944.000.000 14.944.000

Giraal geld

Giraal geld is direct opeisbaar goed. Je hebt een aantal soorten giraal geld zoals credit cards, cheques, pinnen, chipcard en Internet. Over deze soorten ga ik wat vertellen.

Eerst vertel ik iets over de ontwikkeling van het girale geldverkeer.

Het transport van geld om betalingen mee te verrichten was ook vroeger iets riskants. Vooral in de internationale handel. Daardoor ontwikkelde zich een nieuwe manier van betalen.

Als een Deense koopman voor een bepaald bedrag specerijen kocht bij de VOC, kreeg de VOC van de Deense koopman een papier, waarop stond bij welke bank dit bedrag kon worden opgehaald. Indien de VOC vervolgens hout ging kopen, kreeg de verkoper van het hout een brief, waarop stond hoeveel geld hij bij dezelfde bank kon ophalen. Het geld zelf werd vaak niet meer opgehaald. Alleen de rechten op het geld gaf men aan elkaar door. Girale overschrijvingen lopen tegenwoordig min of meer op dezelfde manier.

Door deze ontwikkeling kregen de banken de mogelijkheid om kooplieden een tegoed te geven, zonder dat daar munten aan te pas kwamen. De girale kredietverlening was uitgevonden. Tegenwoordig gaat het nog net zo als vroeger. Voorbeeld: als Jaap voor zijn bedrijf om het uit te breiden FL 1.000.000,- bij de ABN-Amro-Bank leent, gaat hij niet met een koffertje(s) met FL 1.000.000,- aan bankbiljetten naar buiten. Nee, het bedrag wordt op de rekening van zijn bedrijf gestort. Op deze manier komt er giraal geld in omloop. Als Jaap met de uitbreiding van zijn bedrijf begint, wordt dus telkens geld overgeschreven van de rekening van zijn bedrijf naar de rekening van degenen die de opdrachten tot uitbreiding uitvoeren.

Uit ervaring weten de banken dat ze ongeveer 20% van het totaal bezit chartaal in kas moeten hebben om aan directe opvragingen te voldoen. Als de ABN-Amro-Bank bijvoorbeeld FL 10.000.000,- chartaal geld in kas heeft en wordt gemiddeld 20% van de girale tegoeden in chartale vorm opgeëist, dan kunnen mensen voor FL 50.000.000,- aan girale tegoeden bij deze bank hebben, zonder dat de bank in betalingsproblemen komt (FL 10.000.000,- is 20% van FL 50.000.000,-).

Credit cards

De eerste credit cards verschijnen als Amerikaanse oliemaatschappijen en hotelketens kaarten voor vaste klanten uitgeven. Ze hoeven slechts 1x per maand te betalen. Warenhuizen deden dit ook. Na de Tweede Wereldoorlog groeit het verschijnsel sterk. In 1958 volgt de American Express. Banken gaven kaarten uit op grond waarvan het geld van de rekening werd afgeschreven.

Betalen met de credit card heeft geen status meer, zeker niet in Nederland. Tussen de talloze plastic kaartjes in de portemonnee zoals de pinkaart, het giropasje, je Ajax-cludcard, je telefoonkaart en je Airmileskaart valt zo'n credit card nauwelijks op. Nederlandse winkeliers smeken vaak of de koper zijn credit card niet wil gebruiken wegens de percentages die in rekening worden gebracht. Sommigen eisen korting door met hun credit card dreigen te betalen. De moderne kaarten verlenen echt krediet. De gebruiker mag betaling van de rekening uitstellen maar is dan wel rente verschuldigd. Door de rente hoeft de verkoper een lager percentage aan het creditcardbedrijf te betalen dan bij een klassieke credit card. De meeste winkels hebben tegenwoordig Visa of Mastercard.

Cheques

Vroeger toen het pinnen nog niet zo populair was als nu werd er nog veel meer gebruik gemaakt van cheques. Met zo'n cheque kon je voor maximaal FL 300,- giraal, bijvoorbeeld je boodschappen betalen of geld ophalen. Tegenwoordig gebeurt dit ook nog wel, maar niet meer zo veel. Als je met een cheque betaalt, moet je het bedrag in cijfers op de voorkant en in letters op de achterkant invullen zodat fraude voorkomen kan worden. Je moet ook je handtekening en je bank/gironummer invullen. Dit wordt dan nog eens door de caissière gecontroleerd met je bankpasje.Wat een gedoe! Tegenwoordig kan het allemaal veel gemakkelijker en sneller door middel van pinnen.

Pinnen

In Noorwegen voert men als eerste de magneetkaart in. Een tijdje later (1986) worden de eerste experimenten met gelduitgifte-automaten (GEA) gedaan. In 1987 worden de banken het eens over een gezamenlijk systeem voor elektronisch betalen. Inmiddels staan er al 73.376 GEA's in Nederland. PIN betekent Personal Indification Number.

Werking geldautomaat

Als de pincode, een code met vier cijfers, en het bedrag zijn ingevoerd, wordt het bericht elektronisch overgedragen aan het centrale systeem van de bank. Hier wordt de pincode gecontroleerd en het saldo gecheckt. Als je driemaal een foute code intoets, wordt de pas geblokkeerd en teruggeven. Er kunnen nu geen geldopvragingen meer mee worden gedaan. Als het centrale systeem akkoord is, werpt de GEA de pas uit. Het gewenste geld wordt uit de voorraadcassettes gepakt, gebundeld en via de transportbaan aan de klant aangeboden. Vervolgens wordt als je dat wilt een bonnetje geprint dat laat zien dat je daar geld hebt gehaald en hoe laat het toen was. Je kunt ook je saldo opvragen. De GEA controleert op verschillende punten of het juiste bedrag is uitgekeerd en of er geen bankbiljetten aan elkaar geplakt zijn. Vuile biljetten worden verwijderd. Als je het geld vergeet (dom!!!), is het voor de eerlijke vinder. Wel wordt je met een geluidssignaal gewaarschuwd. Bij sommige banken wordt het geld weer ingenomen. Je krijgt thuis een afschrift van je bank dat je geld hebt gehaald en dat bedrag wordt dan van je rekening afgeschreven.

Chipknip

In Nederland is een nieuw fenomeen op de markt: de chipknip. Wat is chippen?

Kleine bedragen betalen we nu meestal met contant geld. Dat is niet altijd handig. Daarom voorzien bijna alle banken in Nederland de pinpassen gratis van een slimme chip, de chipknip of de chipkaart. Je kunt de chipknip opladen bij speciale oplaadpunten die geplaatst zijn bij de GEA's. De oplaadpunten zijn herkenbaar aan het chipknip-logo. Dat opladen doe je met dezelfde pincode die je ook voor je pinpas gebruikt. Het oplaadbedrag is minimaal FL 25,- en maximaal FL 1.000,-. Bij de oplaadpunten kun je ook je saldo zien dat op de chipknip staat.

Werking chipknip

Je steekt de pinpas met chipknip in de betaalautomaat bij bijvoorbeeld je bakker. Het aankoopbedrag wordt voor je ingetikt. Je drukt op de ja-toets als je er mee eens bent. Een pincode intoetsen is dus niet nodig. Het is daarom niet verstandig je chipkaart te verliezen met en hoop geld erop. Na "ja" te hebben ingetoetst klinkt er een pieptoon: klaar! Binnen twee seconden heb je betaald. Ook bij de betaalautomaat kun je zien hoeveel geld er nog op je chipknip staat.

Inmiddels kan men op diverse punten terecht voor chipknipbetalingen. De verwachting is dat eind 1997 op zo'n 200.000 plaatsen met de chipknip kunt betalen. Bij winkels en parkeerautomaten. Straks kan je ook de chipknip gebruiken in telefooncellen, het openbaar vervoer, bibliotheken en je kunt er zelfs zegels mee sparen. Het wordt bovendien snel mogelijk om de chipknip thuis via de telefoon op te laden.

Internet

Voor al die dingen die ik hiervoor heb beschreven moet je je luie stoel uit om iets te kunnen kopen. Dat hoeft tegenwoordig ook niet meer. Je kunt bijna alles via Internet kopen en betalen. Dit wordt nog niet veel gedaan, maar het zit er aan te komen. Nu worden al spullen als boeken, compact disks, seksattributen, maar vooral software gekocht. Mensen vullen tegenwoordig al hun belastingformulieren op de computer in. Die sturen ze dan op naar de belastingdienst via het telefoonnet (modem). Later krijgen ze bericht van hun bank dat er een bedrag van hun rekening is afgeschreven.

Functies en waarde van geld

Geld heeft als functies betaalmiddel, waardemiddel en spaarmiddel. Met waardemiddel bedoel ik dat je bepaalde producten kunt vergelijken aan de hand van hun waarde (prijskaartje). Geld kun je ook bewaren en dan is het dus een spaarmiddel.

Een munt heeft een nominale en een intrinsieke waarde. De in het geld verwerkte stof vormt de intrinsieke waarde. De op de munt gedrukte waarde is de nominale waarde. Bij de eerste geldstukken was de intrinsieke waarde gelijk aan de nominale waarde (volwaardige munten).

Waarom heeft geld, een papiertje of een stukje zilver, waarde? Je kan net zo goed erwten nemen als betaalmiddel. Dat is niet zo. Wil een goed geschikt zijn als geld moet het aan een aantal eisen voldoen:

-Het moet schaars zijn. Dat wil zeggen er moet behoefte voor zijn, maar het moet niet voor het oprapen liggen. Goud en zilver voldoen aan deze voorwaarde. Voedingsmiddelen niet altijd.

-Het moet houdbaar zijn. Voedingsmiddelen zoals erwten zijn niet 10 jaar houdbaar. Goud en zilver wel.

-Het moet makkelijk te vervoeren zijn. Voor vee geld dit zeker niet, maar voor voedingsmiddelen, goud en zilver wel. Alhoewel voedingsmiddelen niet altijd zo gemakkelijk zijn te vervoeren.

-Het moet makkelijk deelbaar zijn. Geld is beschikbaar in kleine en grote waarden.

Ten aanzien van het loon is niet zozeer de grootte van de geldsom (nominale inkomen) belangrijk, maar de hoeveelheid goederen en diensten die men met het loon kan kopen (reële inkomen). Bij dalende prijzen kan men met een gelijkblijvende hoeveelheid geld een grotere hoeveelheid goederen en diensten kopen. De waarde van het geld stijgt dus als mensen meer kunnen kopen voor hetzelfde geld (toename koopkracht). Bij stijgende prijzen is het andersom. In 1952 kon men in Nederland voor FL 750,- ongeveer evenveel kopen als in 1963 voor FL 1.000,-. Als men de geldhoeveelheid verhoogt zonder gelijktijdig de hoeveelheid goederen en diensten te vergroten, dan zullen de goederenprijzen stijgen. De waarde van het geld is dan kleiner geworden. Men noemt deze toename van de geldhoeveelheid inflatie dat letterlijk betekent: opblazing. In rustige tijden voorziet de overheid in haar behoeften door belastingen en leningen. In oorlogstijd en tijdens revoluties neemt de overheid echter ook haar toevloed tot het drukken van bankbiljetten. Na de Eerste Wereldoorlog ontstonden er in Duitsland, Rusland, Oostenrijk en Hongarije enorme inflaties. Eind november 1923 werd in Duitsland de toen gangbare papieren mark door een nieuwe, de "rentemark", vervangen op basis van 1 biljoen papieren marken = 1 rentemark. Na de Tweede Wereldoorlog kwam het in vele landen opnieuw tot grote geldontwaardingen, want de inflatie is voor de overheid de goedkoopste en gemakkelijkste bron van inkomsten.

Vreemd geld

Een afspraak over de valuta (munteenheid) waarin betaald moet worden vormt in de internationale handel een onderdeel van elk contract. In veel gevallen zal een onderneming worden betaald in de valuta van het land van herkomst van deze onderneming. Als een Duitse importeur hout koopt in Noorwegen is het gebruikelijk de Noorse fabrikant daarvoor te betalen in Noorse kronen. Koopt een buitenlandse importeur bier in Duitsland, dan zal hij meestal in marken betalen. Voor sommige producten, met name voor grondstoffen als graan, koffie, olie en aardgas is het gebruikelijk te betalen met dollars. Degenen die over vreemde valuta's

willen beschikken kunnen terecht op de valutamarkt. Als je bij een bank guldens inwisselt voor Duitse marken is er sprake van een handeling op de valutamarkt. De valutamarkt is een samenhangend geheel van vraag en aanbod van vreemde valuta's. De totstandkoming van de wisselkoers van een valuta kan je met de totstandkoming van de evenwichtsprijs van een goed op de goederenmarkt vergelijken. Net zoals op de goederenmarkt de gevraagde hoeveelheid van een goed groter is naarmate de prijs lager is, zal de gevraagde hoeveelheid van een valuta groter zijn, naarmate de wisselkoers van een valuta lager is.De wisselkoers geeft de ruilvergoeding weer tussen de munteenheden (valuta's) van twee landen. Koopt een Franse koffiebrander koffiebonen in Brazilië, dan kan hij twee dingen doen:

-franken bij een bank omwisselen in dollars;

-bij een bank een rekening aanhouden in dollars, waarmee dan giraal betalingen in dollars kunnen worden verricht.

Kiest hij voor de laatste mogelijkheid, dan hoeft hij niet telkens de provisie te betalen, die behoort bij het inwisselen van geld. Provisie is het geld dat de banken eraan verdienen bij het omwisselen van valuta's. Hij loopt dan echter wel een koersrisico. De verkoopkoersen zijn dan ook hoger dan de aankoopkoersen. Als men guldens omwisselt in dollars koopt men dollars en verkoopt men guldens. Wisselt men guldens om in dollars dan moet men op een bepaald moment bijvoorbeeld FL 2,- betalen voor een dollar, terwijl men er bijvoorbeeld maar FL 1,75 voor ontvangt als men op hetzelfde moment dollars zou inwisselen tegen guldens.

Zwevende (flexibele) wisselkoersen

Waarom schommelen wisselkoersen? Waarom zijn ze zo flexibel?

Natuurlijk vanwege veranderingen in de aangeboden en gevraagde hoeveelheden van de verschillende valuta's.

De vraag naar Italiaanse lires kan bijvoorbeeld toenemen:

-door een toename van de vraag uit het buitenland naar goederen en diensten uit Italië;

-door een toename van beleggingen en investeringen van het buitenland in Italië.

Omdat de betalingen in Italiaanse lires dienen te worden verricht zullen buitenlanders eerst hun valuta's om moeten wisselen in Italiaanse lires. Op dat moment biedt men de eigen valuta aan en vraagt men Italiaanse lires.Het aanbod van Italiaanse lires kan bijvoorbeeld toenemen:

-door een toename van de vraag in Italië naar goederen en diensten uit het buitenland;

-door een toename van beleggingen en investeringen van Italiaanse ondernemingen in het buitenland. Er is sprake van appreciatie als de wisselkoers van een valuta stijgt door veranderingen in de aangeboden en gevraagde hoeveelheden. Daalt de wisselkoers van een valuta

door veranderingen in de aangeboden en gevraagde hoeveelheden dan is er sprake van een depreciatie.

Vaste wisselkoersen

In het internationale betalingsverkeer is het niet prettig als de wisselkoersen grote schommelingen hebben. Grote schommelingen in de wisselkoersen belemmeren de wereldhandel.

Bij het aangaan van leningen in het buitenland met lange looptijd kan het erg nadelig zijn voor een land als de wisselkoers van de valuta van het land waar men de lening heeft afgesloten, stijgt. Uitgedrukt in eigen valuta moet dan meer rente en aflossing worden betaald, dan het geval zou zijn geweest als de wisselkoersen stabiel zouden zijn gebleven. Op internationale conferenties zijn afspraken tussen staatshoofden en presidenten van centrale banken ter stabilisering van de wisselkoersen dan ook vaak een belangrijk agendapunt. De wereldhandel wordt er door gestimuleerd, omdat onzekerheden in het internationale betalingsverkeer worden weggenomen.

In de Europese Unie (EU) bestaat ter stabilisering van de wisselkoersen het Europese Monetair Systeem (EMS). De wisselkoersen van de valuta's binnen het EMS zijn twee aan twee gekoppeld. Er is afgesproken dat de wisselkoersen van de landen die deelnemen aan het EMS zich ten opzichte van elkaar slechts binnen bepaalde grenzen mogen bevinden. In het EMS is daardoor sprake van een stelsel van vaste wisselkoersen. Bij vaste wisselkoersen heb je een spilkoers, dat is een vaste ruilverhouding tussen twee valuta's. De bandbreedte geeft aan tot welke waarde de wisselkoers van een valuta mag afwijken van de spilkoers. Er geldt dus een onder- en een bovengrens voor de wisselkoers die een valuta mag hebben. Binnen de EMS is afgesproken dat de wisselkoers niet meer dan 2,25% mag afwijken van de spilkoers, zowel naar boven als naar beneden. De totale bandbreedte is dus 4,5% van de spilkoers. De laagst toegestane wisselkoers is de onderste interventiekoers, de hoogste toegestane wisselkoers is de bovenste interventiekoers.Bij het bereiken van een interventiekoers dienen de centrale banken van de EMS-landen in te grijpen. Is de wisselkoers van de valuta lager dan toegestaan (of dreigt dat te gebeuren) dan kunnen de volgende maatregelen worden genomen:

-de centrale banken van EMS-landen kopen gezamenlijk de betreffende valuta op totdat de vraag zodanig is toegenomen, dat de wisselkoers zich weer binnen de bandbreedte bevindt.

-na overleg tussen de ministers van financiën van de EMS-landen wordt de spilkoers van de valuta van het land of worden de spilkoersen van de valuta's van de landen, waarvan de wisselkoers voortdurend lager is dan toegestaan, verlaagd. Er is dan sprake van een devaluatie.Is de wisselkoers hoger dan toegestaan is er sprake van revaluatie.

Als er sprake is van zeer uiteenlopende ontwikkelingen van de wisselkoersen kunnen de ministers van financiën van de EMS-landen besluiten tot een algehele verandering van de spilkoersen. Hoe sterker de valuta, hoe hoger het percentage van de revaluatie, hoe zwakker de valuta, hoe hoger het percentage van de devaluatie.

Om al deze ontwikkelingen te doen verdwijnen wilt de EMS één Europese munt, de Euro.

De Euro

Voor alle landen die lid zijn van de EU wordt een nieuwe munt ingevoerd: de Euro. Waarom dit gebeurt, heb ik je hierboven uitgelegd. Het tijdsschema voor de invoering van de euro ziet er als volgt uit:

Voorjaar 1998. De Europese Raad bepaald welke lidstaten aan de euro mogen meedoen.

1 juli 1998. De Europese Centrale Bank (ECB) wordt opgericht.

1 januari 1999. De koersen van de munten van de deelnemende landen worden aan elkaar gekoppeld en krijgen een vaste omwisselkoers ten opzichte van de euro. De centrale banken bundelen hun officiële reserves en de ECB neemt het monetaire beleid over. Leningen op de geldmarkt en kapitaalmarkt gaan in euro's, overheden financieren hun staatsleningen in euro's. Inwerkingtreding van een nieuw EMS voor de wisselkoersverhoudingen met de lidstaten die (nog) niet deelnemen aan de euro.

1 januari 2002. Bankbiljetten en munten van de euro komen in omloop.

1juli 2002. Nationale bankbiljetten en munten verliezen hun geldigheid, uitsluitend euro's gelden als betaalmiddel.

De maatschappelijke geldhoeveelheid

Als men wilt bepalen hoe groot de omvang van de geldhoeveelheid in ons land is, moet men afspreken wat daaronder wordt verstaan en wat wel en niet meetelt. In de economie wordt in dit verband altijd gesproken over de maatschappelijke geldhoeveelheid (M).

De M is de hoeveelheid Nederlands chartaal en giraal geld in handen van het publiek (de niet-geldscheppende instellingen).

Onder het publiek wordt dus verstaan: de deelnemers aan het economisch verkeer, die niet in staat zijn de M te vergroten. Hiertoe behoren met name gezinnen, de ondernemingen en de lagere overheid (gemeenten en provincies).

De M kan wel worden vergroot door de geldscheppende instellingen. Dat zijn:

-de centrale overheid door het in omloop brengen van munten;

-de circulatiebank (DNB) door het in omloop brengen van bankbiljetten;

-de particuliere geldscheppende banken door het in omloop brengen van giraal geld.

De reden om het geld dat zich in de kassen van de particuliere geldscheppende banken bevindt niet tot de M te rekenen is het feit, dat dit geld dient ter dekking van het girale geld dat zij in omloop brengen. Dit geld wordt gebruikt om aan directe opvragingen te voldoen.

De M kan ook toenemen door economische transacties met het buitenland. Bijvoorbeeld: als een Nederlandse onderneming een product verkoopt aan het buitenland worden daarvoor guldens ontvangen of buitenlandse valuta, die bij een bank kunnen worden ingewisseld tegen guldens. In beide gevallen neemt de M toe.

Niet alle particuliere banken hebben het recht om giraal geld in omloop te brengen. Er zijn namelijk primaire (geldscheppende) banken en secundaire (niet-geldscheppende) banken.

Tot de geldscheppende banken behoren:

-DNB;

-particuliere banken zoals de ABN-Amro-Bank, ING-Bank en spaarbanken;

-coöperatief georganiseerde banken zoals de Rabobank.

Tot de niet-geldscheppende banken behoren:

-hypotheekbanken;

-bank Nederlandse Gemeenten, die bemiddelt in het aantrekken van geld voor de lagere overheid.

Deze banken geven alleen geld door. Zij lenen geld uit zonder de M te vergroten.

Als de M stijgt, komen er meer bankbiljetten in omloop, dus meer geld in de handen van het publiek. Dat betekent dat de geldmarkt verkrapt, de banken komen krap in hun geld en kunnen niet meer voldoen aan direct opeisbare goederen, dus is de liquiditeit van de banken slecht.

Als de M daalt, komen er minder bankbiljetten in circulatie, dus minder geld in de handen van het publiek. Dat betekent een ruime geldmarkt. Hierdoor wordt er minder besteed door consument (consumpties), producent (investeringen), overheid (overheidsbestedingen, bijv.scholen) en buitenland (wereldhandel). Dit leidt tot conjuncturele werkloosheid. Om dit te bestrijden kan de overheid de bestedingen stimuleren. Zij kan dit doen door zelf meer te gaan besteden of door er voor te zorgen dat de andere deelnemers aan het economisch verkeer meer gaan besteden, bijvoorbeeld door het verlagen van belastingen. Ook voor DNB kan hierbij een taak zijn weggelegd. Zij kan de bestedingen stimuleren door er voor te zorgen dat banken makkelijker krediet kunnen verlenen.

Krediet

Een krediet is een som geld, die een kredietgever aan de kredietnemer verstrekt, waarbij afspraken worden gemaakt over de terugbetaling en de rentevergoeding.

Kredietverlening door een bank waarbij een bedrag in de vorm van een giraal tegoed beschikbaar wordt gesteld, heet wederzijdse schuldaanvaarding. De kredietnemer mag in dat geval tot een bepaald bedrag rood staan. Voor beide partijen ontstaat een schuld, een verplichting. De bank heeft de verplichting het geld ter beschikking te stellen en de kredietnemer heeft de verplichting het geld terug te betalen. Met andere woorden: bij wederzijdse schuldaanvaarding krijgt de kredietnemer een kortlopende vordering op de bank en een langlopende schuld aan de bank.

Je hebt vele vormen van krediet zoals rekening-courantkrediet, persoonlijke lening, doorlopend krediet, huurkoop, koop op afbetaling, consumptief krediet en hypothecair krediet.

-Rekening-courantkrediet: Hierbij krijgt de kredietnemer een giraal tegoed op zijn rekening, dat hij kan gebruiken voor het verrichten van betalingen door giraal bedragen over te maken of door bedragen in contanten op te nemen. Deze vorm van krediet wordt met name door banken aan ondernemingen gegeven.

-Persoonlijke lening: Hierbij krijgt de kredietnemer een afgesproken bedrag op zijn rekening gestort, dat hij op afgesproken tijdstippen in afgesproken bedragen aan aflossing en rente terug moet betalen. Deze vorm van krediet wordt met name door banken aan gezinnen verstrekt.

-Doorlopend krediet: Hierbij krijgt men permanent een afgesproken bedrag op vooraf bepaalde tijdstippen op zijn rekening gestort en betaalt men permanent op vooraf bepaalde tijdstippen een afgesproken bedrag aan rente en aflossing. Deze vorm van krediet worden met name door banken aan gezinnen verstrekt.

-Huurkoop: Hierbij koopt men bij een onderneming een duurzaam consumptiegoed, bijvoorbeeld een keuken, op afbetaling. Naast de aanbetaling moet de koper in termijnen betalen. Bij huurkoop wordt de koper pas eigenaar als de laatste termijn is betaald. Pas dan zou de koper het consumptiegoed mogen verkopen.

-Koop op afbetaling: Dit wijkt van huurkoop af in de zin, dat men direct eigenaar van het consumptiegoed wordt.

-Consumptief krediet: Een persoonlijke lening, doorlopend krediet huurkoop en kopen op afbetaling zijn vormen van consumptief krediet. Het krediet wordt gebruikt voor consumptieve doeleinden.

-Hypothecair krediet: Hierbij leent men geld met onroerend goed, bijvoorbeeld een huis, als onderpand. Dit betekent dat de kredietnemer aan de kredietgever het recht geeft om het onroerend goed (bijvoorbeeld op een veiling) te verkopen als de kredietnemer zijn rente en aflossing niet meer betaalt. Op deze wijze is de kredietgever er vrij zeker van dat hij zijn uitgeleende geld terugkrijgt.

Bij al deze vormen van krediet moet rente worden afgelost, want de kredietgevers moeten er ook nog wat aan verdienen en bovendien heeft tegenwoordig alles een prijs.

De hoogte van de rente is afhankelijk van de situatie op de financiële markten en kan per maand verschillend zijn. Met financiële markten bedoel ik substitutie (chartaal in giraal geld en andersom), valutamarkt en vermogensmarkt.

INKOMENS- EN LENINGTABEL (POSTBANK)

Netto-inkomen per maand

Beschikbaar voor rente en aflossing

Kredietlimiet

1.700

100

5.000

1.900

160

8.000

2.100

200

10.000

2.300

300

15.000

2.500

400

20.000

2.700

500

25.000

2.900

600

30.000

3.200

800

40.000

3.600

900

45.000

Een voorbeeld van wanneer je een persoonlijke lening afsluit: Je woont alleen en je verdient netto per maand FL 2.100,-. Je hebt een auto op het oog, waarvoor je een bedrag van

FL 6.000,- wilt lenen. Maar je wilt weten of je de afbetaling wel iedere maand kunt opbrengen. Dat kan aan de hand van de volgende berekening:

Netto-inkomen per maand .............. FL 2.100,-

Af: huur van woning........FL 550,-

energiekosten............FL 150,-

autokosten.................FL 400,-

levensonderhoud........FL 800,-

totaal kosten.............................. FL 1.900,-

resteert.......................................... FL 200,-

De inkomstentabel laat zien dat je bij een besteedbaar termijnbedrag van FL 200,- een lening van maximaal FL 10.000,- kunt aanvragen.

Een voorbeeld van wanneer je voor doorlopend krediet kiest: Je hebt een gezin met twee kinderen en je wilt je huis verbouwen. Je schat dat dat zo'n FL 10.000,- gaat kosten. Maar dat kan ook FL 13.000,- of zelfs 15.000,- worden. Voor alle zekerheid wil je dus FL 15.000,- lenen. Je hebt een vaste baan met een netto-inkomen van FL 3.200,- per maand. Hoeveel kan je besteden aan rente en aflossing?

Netto-inkomen per maand............... FL 3.200,-

Af: hypotheeklasten.......... FL 800,-

levensonderhoud......... FL 1.100,-

autokosten.................. FL 500,-

totaal kosten.............................FL 2.400,-

resteert.......................................... FL 800,-

Uit de tabel blijkt dat deze FL 800,- ruimschoots voldoende is om de gewenste lening van

FL 15.000,- aan te vragen.

Bijna geld

Op de effectenbeurs in Amsterdam worden effecten (aandelen en obligaties) verhandeld van ondernemingen die tot de effectenbeurs zijn toegelaten door de Vereniging voor de Effectenhandel. Ondernemingen worden pas toegelaten als hun aandelenkapitaal een bepaalde omvang heeft en als zij bepaalde vereiste gegevens publiceren in een prospectus.

De eigenaren van aandelen ontvangen een deel van de winst (dividend) van de ondernemingen waarvan zij aandelen bezitten. Stijgt de (te verwachten) winst van een onderneming, dan zal de koers van de aandelen van die onderneming over het algemeen ook stijgen. Er komt dan namelijk een grotere vraag naar deze aandelen.

Voor obligaties ontvangt men een vast rentepercentage (interest). Daalt de rentestand, dan stijgt de koers van de al uitgegeven obligaties, omdat men daarvoor nog steeds het oude rentepercentage ontvangt. Het verschil tussen obligaties en aandelen is dat je bij een obligatie een bepaald bedrag uitleent en dat je dat bedrag plus een rentevergoeding binnen een bepaald termijn terugkrijgt. Bij aandelen wordt je als ware eigenaar van een stukje van die onderneming. Als die onderneming failliet gaat zijn je aandelen niets meer waard en heb je dus geld verloren, maar je kan er ook veel geld mee verdienen (risico).

Het kopen en verkopen van effecten op de effectenbeurs gaat als volgt in z'n werk. Een klant geeft aan een commissionair in effecten of aan een bank de opdracht om bepaalde aandelen of obligaties te kopen of te verkopen. Een klant kan daarbij aangeven welke prijs hij bij het verkopen van een aandeel minimaal wilt ontvangen. Ook kan hij aangeven welke prijs hij bij het kopen van een aandeel maximaal wilt betalen. In deze gevallen is er sprake van een gelimiteerde order. Wordt er geen limiet aangegeven, dan is er sprake van een bestenorder.

In de aandelen en obligaties van aan de effectenbeurs genoteerde ondernemingen (fondsen) wordt op afgesproken plaatsen op de beursvloer gehandeld. Deze plaatsen heten hoeken. Zo is er een Philipshoek, een Koninklijke Oliehoek en een hoek voor de scheepvaartfondsen. Op deze manier kunnen kopers en verkopers van bepaalde fondsen elkaar gemakkelijk vinden. In de meeste fondsen wordt tijdens de openingstijden van de effectenbeurs doorlopend gehandeld. Dit gebeurt in de open hoeken.

Tegenwoordig worden koersen na het sluiten van een transactie elektronisch verwerkt. De laatste koersen verschijnen op beeldschermen en bij het sluiten van de beurs worden de openings- en slotkoersen gepubliceerd in de Prijscourant van de Vereniging voor de Effectenhandel en in de dagbladen.

Ondernemingen die niet aan de voorwaarden voldoen van de Vereniging voor de Effectenhandel kunnen aandelen en obligaties plaatsen op de Parallelmarkt. Vaak gaat het hierbij om jonge veelbelovende ondernemingen, waarbij men uiteraard wel moet afwachten of de onderneming het echt gaat maken. Het kopen van deze aandelen brengt dus meer risico met zich mee, dan het kopen van aandelen op de effectenbeurs.

Nog meer risico is verbonden aan de handel in opties op de Europese Optiebeurs in Amsterdam. Een optie is het recht om gedurende een bepaalde termijn (3, 6 of 9 maanden) een bepaald aandeel (het gaat altijd om eenheden van 100 stuks) tegen een van te voren vastgestelde koers te kopen of te verkopen. Tegenwoordig zijn er ook opties op obligaties, goud en vreemde valuta's. Bij een call-optie koopt men het recht om een bepaald aandeel te kopen. Bij een put-optie koopt men het recht om een bepaald aandeel te verkopen. Op de optiebeurs kan men meer profiteren van koersstijgingen en -dalingen dan op de effectenbeurs. Blijft de verwachte koersontwikkeling echter uit, dan is de optie waardeloos geworden.

Behalve je geld te beleggen op de beurs, kan je je geld ook beleggen bij banken. Banken hebben daarvoor speciale fondsen opgericht zoals obligatiefondsen, beleggingsfondsen, aandelenfondsen en vermogensgroeifondsen.

-Obligatiefonds: Dit fonds belegt internationaal in obligaties, deposito's en leningen, zonder het risico dat je bij het beleggen in aandelen loopt. Er wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijk rendement bij een gemiddeld risico.

-Beleggingsfonds: Dit fonds belegt internationaal in obligaties en aandelen, onroerend goed en leningen. Er wordt gestreefd naar een rendement dat hoger is dan de hoogste rente op spaarvormen van een bank.

-Aandelenfonds: Dit fonds belegt internationaal uitsluitend in aandelen en streeft op de lange termijn naar het hoogste rendement van de beleggingsfondsen. Het rendement bestaat vooral uit waardestijging, maar het fonds keert ook dividend uit.

-Vermogensgroeifonds: Dit fonds belegt in obligaties, deposito's en leningen, met name in Nederlandse guldens en Duitse marken. Het rendement ligt op het niveau van Nederlandse Staatsleningen met een 3- tot 5-jarige looptijd.

In de beleggingswereld is het zo dat wie meer risico neemt, op de lange duur ook meer rendement kan krijgen. Wanneer je relatief weinig risico wilt nemen, kan je het beste kiezen voor het obligatiefonds. Wanneer je je geld voor jaren beschikbaar hebt en je het tussentijdse risico van een tijdelijke koersdaling wel wilt nemen, kies je voor het aandelenfonds.

Als je aan de ene kant wel tot beleggen wordt aangetrokken, terwijl je aan de andere kant niet veel risico wilt lopen, kies je voor het beleggingsfonds. Met dit fonds combineer je het rendement en risico van obligaties met dat van aandelen.

Voor welk beleggingsfonds je ook kiest, beleggen blijft een kwestie van de lange termijn, waarbij koersschommelingen op korte termijn onvermijdelijk zijn.

Als je al deze risico's niet durft te nemen, kan je maar beter gaan sparen.

 

 

 

 

 

Koersontwikkeling op obligatiefonds

Money makes the world go round

Welvaart is, iets anders gezegd, de mate waarin in de behoefte is voorzien. Dus als je meer geld hebt, kan je ook meer kopen. De behoeften moet je zeer ruim opvatten. Welvaart is zowel de behoefte aan auto's, als de behoefte aan schone lucht en recreatieruimte.

Mensen denken bij een welvarend persoon meestal aan iemand met een hoog inkomen. Ook de welvaart van een land wordt meestal vergeleken met de hoogte van het nationale inkomen. Het wordt tegen economen vaak gezegd dat zij alleen interesse hebben voor zaken als productie, productiviteit en inkomen en dat zij geen interesse hebben voor de gevolgen van de toenemende productie voor het milieu. Want het milieu heeft veel te leiden als de economie van een land beter gaat draaien en als de maatschappelijke geldhoeveelheid toeneemt. Als het publiek meer geld heeft te besteden, dan worden er meer producten gekocht die schadelijk zijn voor het milieu (auto's).

Veel geld hebben, is niet altijd even goed voor het sociale gedrag van de mens. Men denkt dat als hij meer geld heeft automatisch ook meer macht heeft en meer dingen mag dan anderen. Dat is natuurlijk niet zo. Daarom ontstaan er vaak ruzies doordat mensen zulke gedachten in hun hoofd halen. Daarom heeft geld een grote invloed op de samenleving.

Voor mij is geld niet het belangrijkste wat er is, maar het is verdomt makkelijk als je er veel van hebt.

 

 

 

 

 

 

 

Vragen over hoofdstukken 1t/m9

Hoofdstuk 1

-1- Wat wordt bedoeld met ruilhandel en geef twee redenen waarom het ruilen in natura niet gemakkelijk is?

-2- Noem drie functies van geld.

-3- Waarom kwam er behoefte aan geld?

Hoofdstuk 2

-1- Wat was van belang voor de acceptatie van goud en zilver als ruilmiddel?

-2- Beschrijf de ontwikkeling van een "goldsmithnote" tot bankbiljet.

-3- Waarom werd in 1792 de Bankwet in Engeland ingevoerd?

Hoofdstuk 3

-1- Leg uit aan de hand van een voorbeeld hoe girale kredietverlening werkt.

-2- Geef vijf soorten van giraal geld en leg er drie uit.

-3- Waarom kunnen banken giraal meer uitlenen dan dat ze chartaal in kas hebben?

Hoofdstuk 4

-1- Noem vier kenmerken waaraan geld moet voldoen.

-2- Wat is het verschil tussen de nominale en de intrinsieke waarde van geld?

-3- Hoe komt het dat de Italiaanse lires nog zo weinig waard zijn?

Hoofdstuk 5

-1- Geef twee voorbeelden van wanneer de vraag naar een valuta toeneemt en twee voorbeelden van wanneer de aanbod van een valuta toeneemt.

-2- Waarom heeft de EU het EMS opgericht en hoe werkt dat systeem?

-3- Geef drie maatregelen die kunnen worden genomen als een EMS-land de interventiekoers overschreid.

-4- Waarom wilt de EU de Euro zo snel mogelijk invoeren?

Hoofdstuk 6

-1- Noem drie geldscheppende instellingen.

-2- Wat voor gevolgen heeft het als de maatschappelijke geldhoeveelheid daalt en waar leidt dit tot?

-3- Wat kunnen de overheid en de DNB hieraan doen?

Hoofdstuk 7

-1- Noem zeven vormen van krediet en leg er vier uit.

-2- Waarom vragen banken altijd naar je netto-inkomen per maand als je een bepaalde hoeveelheid geld wilt lenen?

-3- Wat is het verschil tussen huurkoop en koop op afbetaling?

Hoofdstuk 8

-1- Wat zijn deposito's?

-2- Waarom mogen jij en ik niet op de effectenbeurs aanwezig zijn en wie mogen dat dan wel?

-3- Wat zijn de verschillen tussen obligaties, aandelen en opties? Geef er drie.

Hoofdstuk 9

-1- Maakt geld jou gelukkig?

-2- Wat voor nadelen heeft geld m.b.t. het sociaal gedrag van de mens?

-3- Wat vindt van dit werkstuk over geld? Wat zou jij anders hebben gedaan?

Begrippenlijst

-Appreciatie: stijging van de wisselkoers door een verandering in de aangeboden en de gevraagde hoeveelheden.

-Bandbreedte: de waarde die de valuta van de spilkoers mag afwijken.

-Chartaal geld: het geld dat wij in het dagelijks leven gebruiken zoals munten en biljetten.

-Chippen: pasje waarmee je kleine bedragen giraal kunt betalen.

-Circulatiebank: bank die bankbiljetten in omloop mag brengen (DNB).

-Commissionair in effecten: iemand die op de beurs voor een klant handelt in effecten.

-Conjuncturele werkloosheid: werkloosheid dat is veroorzaakt door een daling van de M.

-Depreciatie: daling van de wisselkoers door een verandering in de aangeboden en de gevraagde hoeveelheden.

-Devaluatie: de wisselkoers is lager dan toegestaan.

-Effectenbeurs: een beurs waar men handelt in effecten.

-Euro: de Europese munteenheid die de EMS wilt instellen.

-Financiële markten: markten waarop geld wordt gevraagd en aangeboden in ruil voor andere geldsoorten en voor aanspraken of vorderingen op geld.

-Geldan: Germaans woord voor geld dat vergoeden betekent.

-Giraal geld: een direct opeisbaar goed.

-Girale kredietverlening: krediet dat giraal werd verleend.

-Goldsmithnote: Engels woord voor kwitantie van een goudsmid dat later ging dienen als bankbiljet.

-Inflatie: waardevermindering van het geld.

-Interventiekoers: de minimale of maximale wisselkoers die een valuta mag hebben.

-Intrinsieke waarde: de waarde van het in het geld verwerkte stof.

-Koopkracht: de hoeveelheid goederen die iemand met zijn inkomen kan kopen.

-Krediet: een som geld die een kredietgever aan een kredietnemer verstrekt, waarbij afspraken worden gemaakt over de aflossing en de rentevergoeding.

-Liquiditeit: als betaling beschikbaar. Geld dat je meteen kunt gebruiken om mee te betalen.

-Maatschappelijke geldhoeveelheid: de hoeveelheid geld dat in handen is van het publiek.

-Nominale waarde: de waarde die op de munt staat gedrukt.

-Pinnen: pasje waarmee je giraal kunt betalen en geld kunt opnemen.

-Primaire bank: geldscheppende banken.

-Prospectus: een krantje waarin bepaalde gegevens over een onderneming in staan gepubliceerd.

-Provisie: het geld dat de banken verdienen aan het inwisselen van valuta's.

-Rendement: de beloning voor het beleggen van geld.

-Revaluatie: de wisselkoers is hoger dan toegestaan.

-Secundaire bank: niet-geldscheppende banken.

-Spilkoers: een vaste ruilverhouding tussen twee valuta's.

-Substitutie: omwisselen van chartaal in giraal geld of andersom door het publiek.

-Valuta: de munteenheid van een land.

-Valutamarkt: een samenhangend geheel van de vraag en aanbod van vreemde valuta's.-Vermogensmarkt: op deze markt ruilt men geld voor iets wat in de toekomst geld geeft.

-Wederzijdse schuldaanvaarding: kredietverlening van een bank, waarbij een bedrag in de vorm van een giraal tegoed beschikbaar wordt gesteld.

-Wisselkoers: dit geeft de ruilverhouding weer tussen de valuta's van twee landen.

 

 

 

 

 

Terug omhoog

Voor vragen en/of toelichting op dit verslag gewoon even mailen! Wil je je eigen scriptie ook op deze pagina terugzien, stuur het dan naar bovenstaand emailadres (icoontje).

Robert Boer.
Copyright © 1999. All rights reserved.
Revised: juni 09, 1999.
Hosted by www.Geocities.ws

1