Spinnen Terminologie



Wetenschappelijke naam

Verklaring

Verklarende tekening
Klik op het icoontje

Abdomen

Het achterlijf; achterstuk van het uit twee delen bestaande spinnenlichaam

Terminlog2

Alveolus

Een ventrale inzinking van de mannelijke palp die de basale en middelste verdelingen van de bulbus ontvangt. Hoewel gewoonlijk als een komvormige inzinking beschreven, is de alveolus eigenlijk een geringde depressie van de binnenrand waaraan de basale haematodocha verbonden is.

BulbusTerm1

Anale tuberkel
(of anaal-bult)

Een klein uitsteeksel aan de dorsale zijde van de spintepels, dat de anaal-opening draagt.

Terminlog2

Annulaties

Gepigmenteerde (gekleurde) ringen rond de pootsegmenten

Anterieur

Dichter bij voorzijde of kop

Terminolog1

Apex

Distale top

Apomorphie

Afgeleid karakter

Apicaal

Mannelijke palp: de geleider en de embolische (zie: Embolus)onderverdeling omvatten de apicale verdeling van de bulbus.

BulbusTerm1

Apofyse

Een uitwas of aanhangsel dat het algemeen cilindrisch of ronde uitzicht van een scleriet verandert; meestal gebruikt bij de beschrijving van een mannelijke palp. Dient voor verankering van de mannelijke palp bij de paring.

BulbusTerm2
Atrium (pl. atria)

Een binnenkamer aan de ingang van het voortplantingsstelsel bij vrouwelijke haplogyne spinnen.

Ballooning

Het bij middel van spinnenzijde-draden verspreiden van spinnen door gebruik te maken van luchtstromingen

Ballooning

Basaal

behorende tot, gelegen aan of bij de basis

Boeklong

Met lucht gevulde ruimte die een stapel sterk doorbloed bladen bevat, met opening aan de onderkant van het abdomen.

Branchiaal opperculum

Een gesclerotiseerde, haarloze plaat over de boeklongen gelegen: het longdeksel

Terminlog2

Bulbus

De bulbus is het laatste segment van de palp. Het is een hol orgaan bestaande uit buitenliggende structuren. De bulbus is in drie delen onderverdeeld: (1) de Basale verdeling, (2) de Middelste verdeling en (3) de Apicale verdeling.

BulbusTerm2

Calamistrum

Een kamvormige rij haren op metatars IV van cribellate spinnen.

Calamistrum/Cribellum
Caput (pl. capita)

Een andere benaming voor de cephalische regio van de cephalothorax.

Terminlog2

Carapax

Het exoskelet of schaal die het dorsale (bovenste) vlak van de cephalothorax bedekt.

Thorax

Cephalothorax

Voorste van de twee belangrijkste delen van het spinnenlichaam

Terminlog2

Chelicerae
(of cheliceren)

De kaken, elk op zich bestaande uit een groot basaal deel en een gifklauw.

Terminolog1
Chelaat

Tangvormig

Chilum (pl. Chila)

Kleine skleriet aan de basis van de cheliceren, net onder de clypeus.

Chitine

Een lineair homopolysacharide dat als kenmerkende molecule in de cuticula van arthropoden gevonden wordt. De moleculen zijn in kettingen gelaagd en kruisgewijs verbonden teneinde een sterke, lichtgewicht basis van het cuticulum te vormen.

Clypeus

Het gebied tussen de voorste ogenrij en de voorrand van het carapax.

Terminolog1

Colulus

Een klein, vlak voor de voorste spintepels voorkomend aanhgsel bij sommige spinnen.

Conductor

Een half-membraanachtige structuur van de mannelijke palp die bij de bevruchting de embolus steunt en geleidt.

BulbusTerm1

Condylus

Een zachte afgerond gezwel dat soms op de buitenzijde van de chelicera, aan de basis ervan, voorkomt.

Coxa (plural: Coxae)

Het pootsegment dat zich het dichtst bij het lichaam bevindt; bij de palp tot maxilla gemodifieerd.

Terminolog1

Cribellum

Spinsel producerend orgaan dat er als een dwarsplaat uitziet. Uitsluitend aanwezig bij cribellate spinnen, die dan eveneens over een calamistrum beschikken.

Calamistrum/Cribellum
Cryptozoïsch Een verborgen leven leidend

Cymbium

De verbrede uitgeholde tarsus van de mannelijke palp, waarin de palporganen bevestigd zijnT

BulbusTerm1
BulbusTerm2
Diaxiaal

Gezegd van cheliceren die naar beneden toe gaan met gifklauwen sluitend naar het midden toe.

Spiderworld
Dionycheus

In het bezit van twee tarsusklauwtjes

Discoidaal

Schijfvormig

Distaal

Behorend bij de buitenkant;verst van het lichaam af of verst van het punt van aanhechting

Dorsaal

Bij de bovenkant horend

Dorsum

De bovenkant

Ecdysis

De vervelling; het periodiek afwerpen van het cuticulum.

Ecribellaat Zonder cribellum en calamistrum
Edentaat

Zonder tanden

Embolus

De structuur van de mannelijke palp met de opening waardoor het zaad bij de paring naar buiten komt; kan erg klein, lang, zweepvormig of opgerold zijn en is soms opgedeeld in verschillende structuren.

BulbusTerm1
Embolus
Endiet

Basaal segment van de palp, ook maxilla of gnathocoxa genoemd.

Terminolog1

Entelegyne

Die groep van spinnen waarvan het vrouwtje een epigyne heeft.

Epigastrale vouw

Een vouw en groeve die het voorste deel van het ventrale abdomen (met epigyne en boeklongen) afscheidt van het achterste gedeelte

Terminlog2

Epigyne

Een min of meer gesclerotiseerde en gewijzigde structuur die met de voortplantingsorganen van de meeste spinnen wordt geässocieerd.

Terminlog2
Epigyne1

Exoskelet

De harde uitwendige en ondersteunende bedekking die bij alle arthropoden wordt aangetroffen.

Exuviae

De delen van het cuticulum die worden afgeworpen tijdens de vervelling.

Femur (pl. femora, adj. femoraal)

Het derde pootsegment, geteld vanaf het lichaam.

Terminolog1
Fissidentaat

Tanden die meer dan één punt hebben

Folium

Elk kleurpatroon op het dorsum van het abdomen dat nogal redelik breed en bladvormig is.

Terminlog2

Fovea

Een korte middengroef op het thoraxdeel van het carapax die de interne aanhechting van de maagspieren markeert.

Terminlog2

Gifklauw

Het klauwachtige gedeelte van elke cheliceer; het gifkanaal opent aan de top ervan.

Terminolog1

Gnathocoxa (pl. gnathocoxae)

Basaal segment van de palp, ook maxilla of endiet genoemd.

Terminolog1

Herfstdraden

Een lichte laag zijdedraden, of goepen ervan, die door de lucht drijven.

Haematodocha

Een ballon van elastisch verbindingsweefsel tussen groepen sklerieten van de mannelijke palp die tijdens de bevruchting met bloed opzwellen zodat de sklerieten zich afscheiden en roteren.

BulbusTerm2

Haplogyne

De spinnengroep waarvan de vrouwtjes geen epigyne hebben.

Hartvlek

Boven het hart gelegen langwerpige vlek vooraan in het midden op de bovenkant (dorsale zijde) van het abdomen.

Terminlog2

Hulpklauwtjes

Gezaagde, verdikte haren in de nabijheid van de echte klauwtjes bij sommige spinnen

AuxClaws

Juveniel

De nimf of onvolwassen spin, gewoonlijk op de volwassen spin gelijkend, maar kleiner; volledig mobiel en niet meer van eidooier afhankelijk.

Klauw-bosjes

Een hoop haartjes aan de tip van de tarsus bij spinnen met slechts twee klauwtjes

Terminolog1

Kop

Dat deel van de carapax dat de ogen draagt en afgescheiden is van de thorax door een nauwe groef.

Terminolog1

Labium

De lip, onder de mondopening en tussen de maxillen, vastgehecht aan de voorkant van het sternum.

Terminolog1

Lateraal

Tot de zijkant horend

Lanceolaat

In een punt uitlopend

Lyriformisch orgaan

Een zintuigelijk orgaan in de buurt van het distaal einde van pootsegment, gevormd uit een groep van parallel uitgesneden organen

Spiderworld

Maxilla

De monddelen aan elke zijde van het labium die eigenlijk de gewijzigde coxae van de palpen zijn.

Terminolog1

Mediaan

In de middenlijn of in het midden.

Terminolog1

Mediaan apofyse

Een skleriet die oprijst vanuit de middelste verdeling van de mannelijke palporganen

BulbusTerm2

Mediaan septum

Longitudinale skleriet op de bodem van het epigynaal atrium.

Epigyne2

Metatarsus (pl. Metatarsi)

Het zesde pootsegment geteld van het lichaam af.

Terminolog1
Onychium (pl. Onychia)

Ventrale verlenging van de tip van de tarsus die de klauwtjes draagt.

Terminolog1

Palp

Afkorting voor de pedipalp.Het aanhangsel dat net voor de poten oprijst en waarvan de coxa eveneens de maxilla vormt. Heeft geen metatarsaal segment en is bij volwassen mannetjes sterk gewijzigd voor de zaadoverdracht.

Terminolog1

Palp organen

De min of meer ingewikkelde structuren die in het uiteinde van de volwassen mannelijke palp aangetroffen worden. Zij omvatten groepen sklerieten die onderling gescheiden zijn en het cymbium tot drie haematodochae en bevatten het zaadreservoir dat via kanalen door de tip van de embolus geleegd wordt.

BulbusTerm1

Paracymbium

Een structuur van de mannelijke palp die aftakt van het cymbium of er losjes aan vastzit.

BulbusTerm2
Paraxiaal

Gezegd van cheliceren die naar voren staan, met gifklauwen die naar het lichaam toe sluiten.

Spiderworld

Patella(pl. Patellae)

Het vierde pootsegment geteld vanaf het lichaam.

Terminolog1
Paturon Het basaal segment van een cheliceer Terminolog1

Pedicel

De dunne steel die Prosoma (cephalothorax) en Opisthosoma (abdomen) verbindt.

Terminlog2

Feromoon

Een door een dier in kleine hoeveelheden afgescheiden chemische substantie dat een gedragspatroon bij een ander dier, gewoonlijk van een andere sexe, oproept

Phylogenetisch

Horend tot de evolutionaire betrekkingen tussen en binnen groepen

Pluridentaat

Meer dan één tand hebbend

Porrect

Gezegd van cheliceren die naar voren gericht zijn.

Posterieur

Tegen de achterzijde

Terminlog2

Proces

Een uitsteeksel van de hoofdstructuur

Procurf

Gebogen met de zijkanten meer naar achter dan naar het midden.

Terminolog1

Prolateraal

Uitstekend van ,of aan, de zijde die naar voren gericht is

Proximaal

Horend aan de binnenkant; het dichtst bij het lichaam of het aanhechtingspunt.

Punctaat

Bedekt met kleine kuiltjes

Rastellum (pl. rastella)

Hark-achtige structuur op het uiteinde van de cheliceren by Mygalomorphae, dikwijls gereduceerd tot een aantal sterke stekels; gebruikt bij het wroeten (voor het maken van het hol)

Receptaculum (pl. receptacula) Zie: spermathecea BulbusTerm1

Recurf

Gebogen met de zijkanten meer naar achteren dan naar het midden

Terminolog1

Gereticuleerd

Zoals een netwerk

Retrolateraal

Uitstekend van, of aan, de zijde die naar achter gericht is

Rugose

Ruw, gerimpeld.

Scapus

Een vinger-, tong-, of lipachtig uitsteeksel van de middenlijn van de vrouwelijke epigyne

Epigyne1

Skleriet

Elke afzonderlijke gesklerotizeerde structuur die met andere structuren verbonden is b.m.v. membranen

Gesklerotizeerd

Verhard of hoornachtig; niet soepel of membraanachtig

Scopula (pl. Scopulae)

Een haarborstel aan de onderzijde van de tarsus en metatarsus bij sommige spinnen.

Terminolog1

Scutum

Een harde, dikwijls glimmende, gesklerotizeerde plaat op het abdomen van sommige spinnen

Septum

Een verdeling die twee uitholten of delen van mekaar scheidt.

Epigyne2

Geserrateerd

Zaagtand-achtig

Seta (mv. setae)

Haarachtige, toelopende en soepele structuren op poten en lichaam (zie: stekels en trichobothrium)

Terminolog1

Sigillum (mv. Sigila)

Een verdiepte, vaak roodbruine, gesklerotizeerde plek; vaak op de bovenkant van het abdomen op plaatsen waar inwendig spieren zijn aangehecht.

Spleet orgaan

Een spanningsreceptor in het exoskelet

Spermathecae

De zakken of holten waar vrouwelijke spinnen het zaad ontvangen enopslaan

Epigyne1

Stekel

Een dik, stijf haar of borstel

Terminolog1

Spintepels

Gepaarde aanhangsels aan de achterkant van het abdomen, onder de anaal-bult, vormen de tepels van waaruit de zijdedraden worden geëxtrudeerd

Spiderworld
Terminolog1

Spirakels

De opening van de tracheeën aan de onderzijde van het abdomen

Sternum

Het hartvormig of ovaal exoskelataal schild dat het ondervlak van de cephalothorax bedekt

Terminlog2

Stria (pl. striae)

Gepaarde inzinkingen; gewoonlijk drie paar donkere strepen die vanuit de fovea uitgaan

Stridulatie orgaan

Een vijl-en-schraper voor geluidsproductie; kan zich op de chelicerae, palpen, poten, abdomen of carapax of in combinaties, bevinden.

Subadult

Bijna volwassen; het laatste stadium voor de volwassenheid

Synoniem

Elke van twee of meer wetenschappelijke namen van dezelfde rang om eenzelfde taxon te benoemen. Het oudste synoniem is de eerst gepubliceerde naam.

Tapetum (pl. tapeta)

Een licht-reflecterende laag in de seundaire ogen; de ogen hebben een bleekachtige kleur; voor beter nachtelijk zicht.

Spiderworld

Tarsus (pl. Tarsi)

Het meest distale (of laatste) segment van een poot of palp

Terminolog1

Taxon

Eender welke taxonomische eenheid (bvb. familie, genus, species)

Spiderworld

Taxonomie

De theorie en praktijk van de classificatie van organismen; deel van de systematiek, de studie van de soorten en diversiteit van organismen.

Spiderworld

Tegulum

Gedeelte van een mannelijke palp; een discoidale (schijfvormige) skleriet

Tegulum
BulbusTerm2
Tegument

Externe cuticulaire huid

Thorax

Deel van het cephalothorax achter het kopdeel, hiervan gescheiden door een ondiepe groeve

Terminlog2
Thorax

Tibia (pl. Tibiae)

Het vijfde pootsegment vanaf het lichaam geteld

Terminolog1

Tracheae

Buizen waardoorheen lucht door het lichaam gedragen wordt en uitmondend aan de spirakels

Trichobothrium (mv. Trichobotria)

Een lang, fijn haar dat bijna loodrecht omhoog rijst vanuit een holte op de poot. Trichobothria deteecteren luchttrillingen en -stromingen

Trochanter

Het tweede segment van een poot of palp, geteld vanaf het lichaam

Terminolog1

Unidentaat

Eén tand hebbend

Ventraal

Aan de onderkant

Vulva

Interne structuur van het vrouwelijk voortplantingsorgaan, bestaande uit de ingangskanalen, spermathecae en bevruchtingskanalen (bij enteligyne spinnen); interne genitalia bestaande uit de ingangskanalen en spermathecae (bij haplogyne spinnen

Epigyne1

Wielweb

Een tweedimensionaal web, ongeveer cirkelvormig. Zijdedraden strekken zich als spaken vanuit een centraal middelpunt uit. Deze worden dan met een zijdespiraal, die van buiten naar binnen loopt, overlegd.

Spiderworld


Voor dezen die "echt" geïnteresseerd zijn in heel dit geslachtsterminologie-gebeuren, heb ik onderstaande tekeningen opgenomen...Vergeet geenszins het afkortingen-gedeelte te lezen... zoniet begrijp je er niks van... (Behalve de ervaren spinnenkenners dan..)
Veel plezier... Druk op de knopjes!!!!!

OtherImagesKlik dit knopje voor de verklaring van de gebruikteAfkortingen...

OtherImages OtherImages
OtherImages OtherImages
OtherImages OtherImages



Any Comments???? Email them to [email protected]

IndexPagina

Hosted by www.Geocities.ws

1